Kan een samenwerkingsverband ‘eenieder’ zijn voor de btw?

Bron: Redactie FiscaalTotaal

Recentelijk heeft de Hoge Raad een arrest gewezen inzake de vraag of een samenwerkingsverband als ‘eenieder’ kan worden gekwalificeerd voor de btw (nr. 12/02808, ECLI:NL:HR:2014:838).

Eenieder

Krachtens artikel 9 van de Btw-richtlijn (artikel 7 Wet OB) wordt ondernemerschap voor de btw getoetst aan drie criteria: ‘eenieder’, ‘zelfstandig’ en ‘economische activiteiten’ verricht, terwijl artikel 7 Wet OB spreekt van een ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent. De criteria uit artikel 9 Btw-richtlijn en artikel 7 Wet OB luiden dus anders. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt echter dat het begrip ondernemer in artikel 7 Wet OB in overeenstemming met het begrip belastingplichtige in artikel 9 Btw-richtlijn moet worden geïnterpreteerd. Hieruit blijkt dat de Wet OB richtlijnconform moet worden uitgelegd.

Onder het begrip ‘eenieder’ vallen niet alleen natuurlijke personen en rechtspersonen (NV’s, BV’s), maar ook andere rechtsfiguren zoals maatschappen, vennootschappen onder firma en verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid. Ieder samenwerkingsverband dat als een eenheid (entiteit) optreedt, kan als ondernemer worden aangemerkt voor de btw. Daarbij is de rechtsvorm niet van belang. Echter, de van de entiteit deel uitmakende personen zijn geen ondernemer voor de btw voor zover het prestaties betreft die door de entiteit zelf of onderdelen van de entiteit zijn verricht.

Hoe kan nu worden beoordeeld of een samenwerkingsverband als een ondernemer moet worden gekwalificeerd? De Hoge Raad heeft in 1986 (nr. 4644/82, ECLI:NL:GHSGR:1986:AX1205) geoordeeld dat als een vof op eigen naam overeenkomsten sluit, facturen uitreikt en correspondeert, een eigen bankrekening heeft, een eigen jaarrekening opmaakt en zich juridisch gebonden heeft voor het verrichten van diensten, de vof dan zelfstandig diensten verricht waardoor deze als een ondernemer kan worden gekwalificeerd.

Recent arrest Hoge Raad

In de betreffende zaak was sprake van een relaxclub. De centrale vraag was of een maatschap van prostituees, een stichting en een BV (hierna: samenwerkingsverband) samen ‘eenieder’ vormen voor de exploitatie van de club. Deze vraag is belangrijk omdat de fiscus het samenwerkingsverband een naheffingsaanslag van € 393.466 heeft opgelegd over de jaren 2003-2004. Volgens het samenwerkingsverband kunnen zij niet als ‘eenieder’ worden gekwalificeerd en is de naheffingsaanslag daarom ten onrechte opgelegd.

Rechtbank en Hof

Volgens Rechtbank Haarlem (nr. 09/4811) is er inderdaad geen sprake van ‘eenieder’. Hof Amsterdam (nr. 10/00792, ECLI:NL:GHMS:2012:BW5069) was het hier echter niet mee eens en gaf het gelijk aan de inspecteur.

De Hoge Raad geeft aan dat de wijze waarop jegens derden wordt opgetreden van doorslaggevend belang is. Voor het als één ieder (entiteit) aanmerken van een samenwerkingsverband is dus van belang dat er gekeken wordt naar de wijze waarop jegens derden wordt opgetreden. Ook is het van belang om te kijken wie er presteert en op wiens naam wordt gefactureerd. Met wie hebben de afnemers te maken? Volgens de Hoge Raad is in deze zaak nog niet helemaal duidelijk hoe de drie rechtsfiguren optreden ten aanzien van derden. Daarom wordt de zaak doorverwezen naar Hof Den Haag voor nader feitenonderzoek.

De bovenstaande uitspraak is in lijn met een arrest van de Hoge Raad van 1983 (nr. 20/808, BNB 1983/76). Daarin heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een samenwerkingsverband als een entiteit kan worden gekwalificeerd als de samenwerkende partijen in een duurzame samenwerking naar buiten toe optreden. Een belangrijke aanwijzing hiervoor is dat het samenwerkingsverband een eigen naam gebruikt voor het naar buiten toe optreden. Ons inziens moet niet worden uitgesloten dat er ook sprake kan zijn van een naar buiten toe optredende entiteit als een samenwerkingsverband niet onder eigen naam aan het maatschappelijk verkeer deelneemt, maar zich op een andere wijze kenbaar presenteert als entiteit jegens derden. Dit kan bijvoorbeeld door duurzaam prestaties te verrichten jegens derden.

In dit kader is geen sprake van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Anders dan bij de fiscale eenheid, waarvan de onderdelen in principe met elkaar versmelten tot één eenheid, blijven de participanten van ‘eenieder’ in principe ook afzonderlijk zichtbaar, ook als ze jegens de entiteit presteren.

terug