Het Nederlandse fiscale eenheidsregime in strijd met de vrijheid van vestiging

Bron: Redactie FiscaalTotaal

Onlangs heeft het Hof van Justitie EU geoordeeld dat het fiscale eenheidsregime in de vennootschapsbelasting gedeeltelijk in strijd is met het Europese recht. Dit had A-G Kokott eerder al geconcludeerd.

Uitspraak

Volgens het HvJ staat de Nederlandse Wet Vpb toe dat een in Nederland gevestigde moedervennootschap een fiscale eenheid kan aangaan met een in Nederland gevestigde kleindochteronderneming als de moedervennootschap de kleindochter bezit via een of meer in Nederland gevestigde vennootschappen. Dit is echter niet mogelijk als de moedervennootschap de kleindochter bezit via niet in Nederland gevestigde vennootschappen zonder vaste inrichting in Nederland (nrs. C-39/13 en C-41/13). Volgens het Hof van Justitie EU is dit een beperking die in beginsel verboden is op grond van de bepalingen van het VWEU inzake de vrijheid van vestiging (Papillon-arrest, nr. C-418/07).

Bovendien kan op grond van de Nederlandse wet ook geen fiscale eenheid worden gevormd als twee in Nederland gevestigde zustervennootschappen een gemeenschappelijke moedervennootschap hebben die niet in Nederland is gevestigd en ook niet beschikt over een vaste inrichting in Nederland (nr. C-40/13).

Gelijke behandeling

Volgens het Europese recht mag de Nederlandse Wet Vpb grensoverschrijdende situaties binnen de EU niet verschillend (lees: nadeliger) behandelen ten opzichte van vergelijkbare binnenlandse situaties. Dit is volgens het HvJ EU ook van toepassing op de voorwaarden van de fiscale eenheid. Nederland mag niet de in Nederland gevestigde vennootschappen uitsluiten van het fiscale eenheidsregime omdat zij een niet in Nederland gevestigde tussenhoudster of moedervennootschap hebben. Deze uitspraak is dan ook in overeenstemming met het Papillon-arrest.

Wat gebeurt er nu?

De uitspraak van het HvJ EU kan ingrijpende gevolgen hebben. Door deze nieuwe uitspraak kunnen meer Nederlandse vennootschappen een fiscale eenheid gaan vormen. Wat voor gevolgen dit in de toekomst zal hebben, is nog onzeker. Duidelijk is al wel dat uit dit arrest volgt dat de Belastingdienst vroeger ten onrechte sommige verzoeken tot het vormen van een fiscale eenheid tussen in Nederland gevestigde vennootschappen heeft afgewezen. Als argument werd in die gevallen aangevoerd dat de tussenhoudstervennootschap of moedervennootschap namelijk niet in Nederland gevestigd was, maar in een andere lidstaat. Dit arrest biedt nu meer duidelijkheid over het toepassingsbereik van deze regelgeving. Daarnaast heeft het Ministerie van Financiën nog geen reactie gegeven omtrent deze nieuwe rechtspraak. Wij zullen de ontwikkelingen op dit gebied goed in de gaten houden.

terug