Haalbaarheid van proefprocedures crisisheffing nu al twijfelachtig

Bron: Redactie FiscaalTotaal

De eerste uitspraken over de crisisheffing 2013 beloven niet veel goeds voor de lopende proefprocedures. Voor Rechtbank Den Haag werden alle mogelijke bezwaren tegen de heffing aangevoerd maar geen enkele hiervan werd toegekend. De uitspraken bieden maar een paar kleine ‘lichtpuntjes’.

EVRM

Een grote rol speelt de achtergrond van de crisisheffing en met name het feit dat de maatregel deel uitmaakt van een crisispakket. Rechtbank Den Haag (nrs. 13/9597, ECLI:NL:RBDHA:2014:5590 en 13/9914, ECLI:NL:RBDHA:2014:5589) acht dit beslissend bij het afwijzen van een beroep op artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM (het recht op het ongestoord genot van eigendom). Een inbreuk op dit recht is gerechtvaardigd zolang er een redelijke verhouding (“fair balance”) bestaat tussen het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten en de wetgever heeft op het terrein van het belastingrecht een ruime beoordelingsvrijheid. Doordat het begrotingstekort voor 2013 dreigde uit te komen boven de EU-norm kon Nederland een boete oplopend tot 1,2 miljard euro krijgen. Het kabinet had daarom veel vrijheid in het treffen van een pakket met maatregelen om het begrotingstekort terug te dringen. Daarbij komt dat er wel naar een alternatief voor de crisisheffing (officieel: de pseudo-eindheffing hoog loon) is gekeken maar deze optie zou naar verwachting nadelig zijn voor het vestigingsklimaat. Dat de crisisheffing feitelijk terugwerkende kracht heeft (de grondslag is het loon uit het voorgaande jaar) past binnen de eerder genoemde ruime beoordelingsvrijheid.

Een verdere eis die artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM (artikel 1 EP) stelt, is dat de inbreuk niet mag leiden tot een individuele buitensporige last. In de uitspraak nr. 13/9597 is het bestaan van een individuele buitensporige last gesteld, noch gebleken maar de werkgever heeft dit standpunt wel in nr. 13/9914 ingenomen, echter zonder onderbouwing. De Rechtbank oordeelt (daarom) slechts dat dit niet aannemelijk is gemaakt, mede gelet op de jaarwinsten.
Naar onze mening kan het bestaan van een individuele buitensporige last niet aan de jaarwinst worden getoetst omdat dit te arbitrair is. Het moet gaan om kosten en nadelen (bijvoorbeeld administratieve lasten) die direct samenhangen met de crisisheffing en niet in verhouding zijn tot de belastingopbrengsten.

Ongelijke behandeling

De werkgevers hebben zich ook beroepen op strijdigheid met artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR, te weten het recht op gelijke behandeling. Hiervan kan geen sprake zijn bij het bestaan van een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor een mogelijke ongelijke behandeling én ook hier heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid. Voor belastingmaatregelen geldt daarbij dat het treffen van een discriminerende regeling is geoorloofd tenzij het gemaakte onderscheid zeer slecht is verdedigen (zie HR 22 november 2013, nr. 13/02453, ECLI:NL:HR:2013:1212). De Rechtbank wijst opnieuw op het feit dat een alternatief gemotiveerd is afgewezen en concludeert dat de keuze voor een werkgeversheffing niet ‘evident van redelijke grond is ontbloot.’ zodat niet van belang is of sprake is van vergelijkbare gevallen. De werkgevers hadden onder andere verwezen naar de behandeling van ondernemers en resultaatgenieters met een inkomen van meer dan € 150.000 en vennootschappen met een winst van meer dan € 150.000. De Rechtbank acht het ook redelijk om geen onderscheid te maken tussen aanmerkelijkbelanghouders (ab-houders) en werknemers zonder aanmerkelijk belang.

Wetstechnische bezwaren

De Rechtbank oordeelt dat de crisisheffing wel degelijk binnen de Wet LB past omdat artikel 32bd Wet LB voldoende regelt hoe het loon hoger dan € 150.000 als eindheffingsbestanddeel in de loonheffing wordt betrokken. Aangezien dit artikel ook uitdrukkelijk bepaalt dat de pseudo-eindheffing hoge lonen wordt geheven “in afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde”, maakt het niet uit dat artikel 1 Wet LB aangeeft dat niet van zowel de werknemer als de inhoudingsplichtige kan worden geheven.

De lichtpuntjes

Zoals al genoemd is het bestaan van een individuele buitensporige last niet echt getoetst door de Rechtbank, dus dit biedt nog enig soelaas. Het probleem is alleen dat de toets per zaak moet worden toegepast en het nog steeds aan de staatssecretaris/wetgever is om bredere maatregelen te treffen. Bovendien wordt in de praktijk niet vaak geoordeeld dat sprake is van een individuele buitensporige last én heeft de Hoge Raad – waar de proefprocedures terechtkomen – de laatste tijd wat naar onze mening politieke uitspraken gedaan betreffende de toepassing van artikel 1 EP. Zie onder meer Hoge Raad-oordeel over SW-vrijstelling ondernemingsvermogen geeft wetgever te veel ruimte.

De uitspraken hebben betrekking op de eenmalige crisisheffing voor 2013 die nu eenmalig? is verlengd voor 2014. Het aanvechten van de verlenging is dus eveneens een mogelijkheid, zeker nu blijkt dat het begrotingstekort gunstiger uitvalt. Het invoeren van een eenmalige heffing is misschien verdedigbaar maar een verlenging? Dat het gaat om een verlenging maakt het ook eerder aannemelijk dat sprake is van een individuele buitensporige last, echter met bovengenoemde overwegingen.

terug