Deelname aan het economisch verkeer in de omzetbelasting

 

Een maatschap verhuurt voor een vaste periode een werkkamer in de kelder van de woning aan een BV. Volgens de Hoge Raad neemt de maatschap deel aan het economisch verkeer en is er dus sprake van een economische activiteit. Wanneer is sprake van deelname aan het economisch verkeer in de omzetbelasting?

Maatschap verricht economische activiteit met verhuur werkkamer

In deze zaak (Hoge Raad, nr. 13/00982, ECLI:NL:HR:2014:1320) zijn twee partners – de heer B en mevrouw C – een maatschap aangegaan. Daarnaast is de heer B directeur-grootaandeelhouder (dga) van een BV. Een werkkamer in de kelderruimte van de woning die de maatschap heeft laten bouwen wordt tegen een vergoeding voor een periode van vijf jaar, met verlenging van vijf jaar, aan de BV verhuurd. In geschil is of de maatschap de ter zake van de bouw van de woning in rekening gebrachte omzetbelasting terecht als voorbelasting heeft afgetrokken. Of de verhuur van de werkkamer in de kelder van de woning een economische activiteit voor de omzetbelasting vormt is van belang omdat de maatschap dan de in rekening gebrachte btw in aftrek kan brengen.

Overwegingen Hof Arnhem-Leeuwarden

Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden vormt de verhuuractiviteit géén economische activiteit. Het economisch karakter zou ontbreken omdat er geen markt is voor de verhuur van dergelijke ruimtes (werkruimte in een kelderruimte van een woning zonder eigen ingang en zonder eigen sanitair) en er is slechts één gegadigde.

Overwegingen Hoge Raad

In de discussie of de activiteit (het verhuren van de ruimte in de kelder) wel of niet een economisch activiteit vormt, richt de Hoge Raad zich op het feit dat de verhuur een permanent karakter heeft en de verrichter een vergoeding ontvangt. De Hoge Raad gaat er tevens van uit dat de maatschap de activiteit jegens de BV (een derde) zelfstandig verricht. De eindconclusie luidt dan ook dat deze activiteit als een economische activiteit moet worden gekwalificeerd.

Deelname aan het economisch verkeer

Het vereiste van deelname aan het economisch verkeer sluit degene die prestaties verricht voor eigen gebruik of in besloten kring uit van het ondernemerschap, maar er is niet snel sprake van een eigen of besloten kring. Als bijvoorbeeld een BV prestaties verricht aan een nauw gelieerde BV dan is er al redelijk snel sprake van deelname aan het economisch verkeer. In een bijzondere situatie heeft Hof Den Haag (nr. 99/01783, ECLI:NLGHSGR:2001:AV5865) wel beslist dat onderlinge prestaties tussen heel nauw verbonden ondernemers niet in het economisch verkeer zijn verricht. Hof Den Haag oordeelde dat belanghebbende en Y zodanig met elkaar waren verweven dat er geen sprake kon zijn van een afzonderlijke dienstverlening in het economische verkeer. Het Hof achtte hierbij van belang dat het ging om kosten die voor de opsplitsing ook al werden gemaakt.

Toepassing

Als we een koppeling maken naar de onderhavige zaak lijkt het er in eerste instantie op dat er sprake is van een prestatie in besloten kring, maar de maatschap is niet zodanig verbonden met de BV dat er géén sprake kan zijn van een afzonderlijke dienstverlening in het economisch verkeer. Verder heeft artikel 9 van de BTW-richtlijn het bij de omschrijving van het begrip ‘economische activiteit’ over de lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. De Hoge Raad benadrukt dat volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie het begrip ‘economische activiteiten’ een ruime werkingssfeer heeft. Een activiteit moet dus in de regel als economisch worden beschouwd wanneer zij permanent wordt verricht en de verrichter daarvoor een vergoeding ontvangt. Wat in de zaak al vaststaat is dat de ruimte voor ten minste vijf jaar (permanent) ter beschikking wordt gesteld als werkkamer voor de directeur van de BV en dat daarvoor een vergoeding wordt ontvangen (tegenprestatie). De omstandigheid dat belanghebbende enkel bereid is de woning (gedeeltelijk) duurzaam tegen vergoeding ter beschikking te stellen aan één bepaalde (rechts)persoon kan niet afdoen aan de conclusie dat er sprake is van een economische activiteit in de zin van de BTW-richtlijn en dat de woning (in zoverre) daadwerkelijk wordt geëxploiteerd om er duurzaam opbrengsten uit te verkrijgen.

terug