150-kilometergrens, strijd met het vrije verkeer van werknemers!

Bron: Redactie FiscaalTotaal

De Hoge Raad (nr. 12/05577, ECLI:NL: HR:2013:474) heeft prejudiciële vragen gesteld in de inmiddels bekende 150-kilometergrens zaak. Waarschijnlijk duurt het nog een aantal maanden of misschien wel een jaar voordat het Hof van Justitie (HvJ) met een uitspraak komt.

Aan de hand van de prejudiciële vragen is al wel duidelijk op welke vragen het HvJ een antwoord moet geven.

1.Is er sprake van een – rechtvaardiging behoevend – indirect onderscheid naar nationaliteit dan wel een belemmering van het vrije verkeer van werknemers?

De vraag die hier onderzocht moet worden is of enerzijds de werknemer uit bijvoorbeeld Duitsland die woont op een afstand van meer dan 150 kilometer van de Nederlandse grens en anderzijds de werknemer die woont binnen de grens van 150 kilometer van de Nederlandse grens, vergelijkbaar zijn met elkaar. Als het om gelijke gevallen gaat, is het onderscheid van de 150-kilometergrens verboden.

Voormalig Staatssecretaris Weekers zei het volgende:

‘De grens van 150 kilometer is gekozen omdat aangenomen wordt dat een werknemer bij een afstand van minder dan 150 kilometer van de Nederlandse landsgrenzen slechts beperkt extraterritoriale kosten zal hebben, en een forfaitaire kostenvergoeding voor dergelijke kosten tot de hoogte van de 30%-regeling in deze gevallen te ruim is. Er is dan geen sprake van gelijke gevallen, die gelijk behandeld moeten worden’.

Dat er geen sprake is van gelijke gevallen is volgens de eigen woorden van de Staatssecretaris gebaseerd op een aanname. Verschillende auteurs hebben hun vraagtekens gezet bij deze aanname, want zowel de werknemer binnen de 150-kilometergrens als de werknemer buiten deze grens moeten dezelfde extraterritoriale kosten maken bij daadwerkelijke verhuizing. Volgens Rechtbank Haarlem (nr. 12/3680, LJN BZ3870) is de eiseres in die zaak die woonachtig was binnen 150 kilometer vanaf de Nederlandse grens, objectief vergelijkbaar met bijvoorbeeld een EU-onderdaan die voorafgaand aan tewerkstelling in Nederland woonachtig was op 151 kilometer vanaf de Nederlandse grens, ervan uitgaande dat laatstgenoemde EU-onderdaan ook naar Nederland zou zijn verhuisd. Rechtbank Breda daarentegen (nr. 12/2829, ECLI:NL:RBBRE:2012:BY4061) liet de vraag of er sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen in het midden omdat volgens de Rechtbank voor de aanpassing van de 30%-regeling een toereikende objectieve rechtvaardiging zou bestaan. In één zaak wordt geoordeeld dat er sprake is van (horizontale) discriminatie en in een andere zaak wordt die vraag in het midden gelaten. Ook volgens de redactie is er sprake van (horizontale) discriminatie. De 150-kilometergrens maakt onderscheid, hierdoor komen in essentie buitenlandse hooggekwalificeerde werknemers in Nederland in aanmerking voor de 30%-regeling met uitzondering van Belgen, Luxemburgers en sommige Fransen en Duitsers.

2. Berust het 150-kilometercriterium op dwingende redenen van algemeen belang?

Op het gebied van directe belastingheffing zijn er een aantal dwingende redenen van algemeen belang die door het Hof van Justitie worden gehonoreerd. Zoals de doeltreffendheid van fiscale controles, de verstoring van het evenwicht en de wederkerigheid van de tussen een lidstaat en een derde land gesloten bilaterale overeenkomst of het voorkomen van belastingontwijking.

In de aanloopfase naar de invoering van het 150-kilometercriterium is geroepen dat het onbedoeld gebruik van de 30%-regeling de reden is geweest voor het invoeren van de 150-kilometergrens. Hier wordt gedoeld op voorkoming van misbruik. Als er een voorwaarde zou zijn in de 30%-regeling waardoor alleen werknemers die daadwerkelijk naar Nederland verhuizen in aanmerking kunnen komen voor de regeling en als vervolgens een werknemer zegt dat hij naar Nederland is verhuisd om hier gebruik van te maken terwijl hij nog steeds in het buitenland woont, dan zou sprake zijn van misbruik. In dit geval is er geen reden om aan te nemen dat er sprake is van misbruik.

3. Gaat het 150-kilometercriterium verder dan noodzakelijk is om het daarmee beoogde doel te bereiken?

De forfaitaire vergoeding is volgens voormalig Staatssecretaris Weekers te ruim voor werknemers die binnen de 150-kilometergrens wonen. Grensarbeiders zouden kunnen forenzen en daardoor niet hoeven te verhuizen. Dit kan soms wel het geval zijn, maar er zijn ook situaties denkbaar dat volgens deze aanname werknemers per dag 600 of 700 kilometer zouden moeten reizen. Dat kan niet van een werknemer verwacht worden. Er zijn wel alternatieven te bedenken. Het NOB stelde voor, als toch voor het 150-kilometercriterium wordt gekozen, om dan aan te sluiten bij de afstand tussen woon- en werkadres. Verder zou ook het criterium van ‘daadwerkelijk verhuizen’ ingevoerd kunnen worden. Dan worden alleen de mensen die niet verhuizen, maar bijvoorbeeld gaan forenzen, geraakt door de maatregel. Er zijn dus wel degelijk andere manieren denkbaar om discriminatie tegen te gaan. Het lijkt ons dan ook dat het 150-kilometercriterium verder dan noodzakelijk gaat om het beoogde doel te bereiken.

Afgaand op de gestelde vragen en de daarbij te verwachten antwoorden zal het Hof van Justitie waarschijnlijk concluderen dat er sprake is van discriminatie, dat het 150-kilometercriterium niet op dwingende redenen van algemeen belang berust en tot slot dat het 150-kilometercriterium verder dan noodzakelijk gaat om het beoogde doel te bereiken.

Bron: Redactie FiscaalTotaal

terug