Wiebes beantwoordt technische vragen over wetsvoorstel Aanpassing fiscale eenheid

Bron: Rijksoverheid en FiscaalTotaal

Tijdens het debat in de Tweede Kamer over het wetsvoorstel Aanpassing fiscale eenheid laat staatssecretaris Eric Wiebes van Financiën weten niets te voelen voor afschaffing van de fiscale eenheid. Wiebes heeft alle technische vragen die gesteld werden tijdens het debat, schriftelijk beantwoord.

Keuzemogelijkheid fiscale eenheid

Ed Groot (PvdA) vroeg de staatssecretaris naar de mogelijkheden tot het minder vrijblijvend maken van de keuze voor een fiscale eenheid. Hij denkt hier bijvoorbeeld aan een systeem waarin alle Nederlandse dochters uit een concern verplicht in de fiscale eenheid moeten worden opgenomen. Volgens Wiebes is de fiscale eenheid niet zo vrijblijvend. ‘Zo is de fiscale eenheid een “alles-of-niets-regime” dat naast voordelen ook nadelen kent.’

Dubbele verliesneming bij vorderingen

Arnold Merkies (SP) merkt onder verwijzing naar een artikel van R.J. De Vries en G.I. Van Eijk op dat, ondanks de maatregelen in het onderhavige wetsvoorstel, dubbele verliesneming mogelijk blijft. Hij doelt hiermee op de situatie van een fiscale eenheid tussen een in Nederland gevestigde moeder- en dochtermaatschappij, waarbij een niet in die fiscale eenheid gevoegde tweede dochtervennootschap een vordering heeft op de wél gevoegde dochtermaatschappij (de vordering buitenom binnen concern). Wiebes antwoordt daarop dat er voor gekozen is om in het onderhavige wetsvoorstel alleen te regelen waartoe Nederland zich op basis van de van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoodzaakt ziet. ‘Gezien het belang van de fiscale eenheid voor met name het midden- en kleinbedrijf is ervoor gekozen de gevolgen van die uitspraak binnen de bestaande systematiek op te vangen, waardoor bestaande (reguliere) fiscale eenheden zo min mogelijk worden geraakt.’

Beëindiging fiscale eenheid

Pieter Omtzigt (CDA) vroeg de staatssecretaris waarom een zuster-fiscale eenheid wel eindigt als een – als moedermaatschappij aangewezen – zustermaatschappij wordt ontvoegd, terwijl bij het ontvoegen van een dochtermaatschappij uit een reguliere fiscale eenheid er geen beëindiging van de fiscale eenheid plaatsvindt. Wiebes schrijft: ‘Zowel in het bestaande fiscale-eenheidsregime, als bij de voorgestelde uitbreidingen voor de Papillon- en zuster-fiscale eenheid, is de (aangewezen) moedermaatschappij van de fiscale eenheid de belastingplichtige waaraan gedurende het bestaan van de fiscale eenheid de werkzaamheden en het vermogen van alle gevoegde dochtermaatschappijen worden toegerekend. Indien deze moedermaatschappij niet langer deel uitmaakt van de fiscale eenheid, eindigt logischerwijs de gehele fiscale eenheid ten aanzien van de met die maatschappij gevoegde dochtermaatschappijen altijd.’

Consequenties BTW

Roland van Vliet (Van Vliet) vraagt aan Wiebes of hij verwacht dat de discussies over de grensoverschrijdende fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting ook wel eens consequenties kunnen hebben voor de praktijk van artikel 7, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB 1968). Volgens Wiebes zijn de definities voor belastingplichtige in de vennootschapsbelasting en de BTW erg verschillend van elkaar. ‘Ook het begrip fiscale eenheid voor de BTW zoals dat in Nederland is opgenomen in artikel 7, vierde lid, van de Wet OB 1968, is heel anders dan dat voor de vennootschapsbelasting. Het bestaan van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting heeft als zodanig dan ook geen gevolgen voor de BTW.’

Achtergrond: fiscale eenheid uitbreiden

Naar aanleiding van de uitspraak van 12 juni 2014 van het Hof van Justitie van de EU en de daaruit voortvloeiende uitspraak van Hof Amsterdam van 11 december 2014 heeft staatssecretaris Wiebes van Financiën besloten de fiscale eenheid uit te breiden voor twee situaties. Dit zorgt voor een verruiming van het toepassingsbereik van de fiscale eenheid in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Eerste situatie

De eerste betreft de situatie dat een in Nederland gevestigde moedermaatschappij de aandelen houdt in een dochtervennootschap die is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie (EU) of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) en die dochtervennootschap (onmiddellijk of middellijk via een andere EU/EER-vennootschap) de aandelen houdt in een in Nederland gevestigde (klein)dochtermaatschappij.

Tweede situatie

Daarnaast wordt het mogelijk om in de situatie waarin de aandelen in twee of meer in Nederland gevestigde zustermaatschappijen worden gehouden door een in de EU/EER gevestigde moedervennootschap, onder voorwaarden een fiscale eenheid tot stand te brengen tussen de in Nederland gevestigde zustermaatschappijen. De in het buitenland (EU/EER) gevestigde moedervennootschap, de zogenoemde topmaatschappij, maakt daarbij geen deel uit van de fiscale eenheid.

Kijk voor meer fiscale verdieping over dit onderwerp op FiscaalTotaal Themadossier Wetsvoorstel aanpassing fiscale eenheid (34 323). De hyperlink kunt u alleen openen als u een abonnement hebt op de Kennisbank FiscaalTotaal.

terug