Reactie NOB op vereenvoudiging belastingteruggaaf oninbare vorderingen

Bron: NOB

De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) schrijft in een reactie op de internetconsultatie ‘vereenvoudiging belastingteruggaaf oninbare vorderingen’ dat ze blij zijn dat de door hun voorgestelde vereenvoudigingen grotendeels zijn overgenomen in de conceptwetteksten. Echter, de Orde vindt dat de voorgestelde regelingen op enkele punten het doel voorbijschiet, namelijk: vereenvoudiging en de praktische uitvoerbaarheid.

Voorstellen verbeteren

Het gaat om de situatie dat een ondernemer voor door hem geleverde goederen of diensten de verschuldigde BTW en eventuele milieubelasting heeft voldaan, maar een afnemer de vergoeding vervolgens niet of slechts gedeeltelijk betaalt. De ondernemer krijgt dan nu onder bepaalde voorwaarden de betaalde belasting terug. Het ministerie van Financiën heeft voorstellen gedaan om deze regeling te verbeteren. De NOB is blij dat de door haar voorgestelde vereenvoudiging grotendeels zijn overgenomen in de conceptwetteksten. Echter, de Orde wil het ministerie van Financiën in herinnering brengen dat de vereenvoudiging en de praktische uitvoerbaarheid van de regeling steeds voorop moet staan. Volgens de NOB schiet dit doel op enkele punten van de voorgestelde regelingen voorbij.

De speerpunten

De Orde heeft op diverse punten van het concept wettekst om verduidelijking gevraagd. Daarnaast hebben ze een aantal speerpunten met commentaar opgesteld:

  • Gezien de nodige administratieve aanpassingen die in het bedrijfsleven moeten worden doorgevoerd (ERP-systemen en aangifteprogramma’s), vindt de Orde het wenselijk om zo snel mogelijk helderheid te verkrijgen over de wijze waarop correcties in de aangifte moeten worden verwerkt.
  • De NOB vraagt zich af of het de bedoeling is om een nieuw criterium te introduceren voor het ontstaansmoment van het recht op teruggaaf wegens oninbare vorderingen, of dat de jurisprudentie en het daarin ontwikkelde redelijkheidscriterium nog steeds als leidend wordt beschouwd. Tevens is gewenst dat het recht op teruggaaf (artikel 29 leden 1 en 2 Wet OB 1968) en de daarmee corresponderende correctie op de aftrek (artikel 29 lid 7 Wet OB 1968) op elkaar worden afgestemd.
  • Het is niet geheel duidelijk of de termijnen van één jaar in de concept artikelen 29 leden 2 en 7 Wet OB 1968 en 92 lid 2 Wbm fatale termijnen zijn.
  • Ter zake van het concept artikel 29 leden 5, 6 en 8 Wet OB 1968 geeft de Orde in overweging om na te gaan of deze bepalingen daadwerkelijk in overeenstemming zijn met het EU-recht.
  • Ter zake van het overgangsrecht bij beide artikelen vraagt de Orde zich af of deze bepaling ook geldt voor vorderingen die reeds vóór 1 januari 2017 als oninbaar moeten worden beschouwd.
terug