Kamerbrief uitwerking moties vakbekwaamheid financiële adviseurs

Bron: Rijksoverheid

Minister Dijsselbloem van Financiën stuurt de Tweede Kamer een brief over de uitwerking van twee moties over vakbekwaamheid financiële adviseurs. Het gaat om een verlenging van de overgangstermijn voor centrale Wft-examinering met één jaar tot 1 januari 2017 en het opnemen van een hardheidsclausule (ontheffingsmogelijkheid in de wet- en regelgeving) voor schrijnende gevallen.

Voor de reguliere PE-verplichtingen zal niet langer een individuele PE-termijn gelden, maar zal een collectieve PEtermijn worden ingesteld. Alle diplomahouders moeten voor 1 april 2019 hun eerste reguliere PE hebben behaald. Deze examens zijn beschikbaar vanaf 1 april 2017. De PE-termijnen vanaf 1 april 2019 worden eveneens collectief, met een duur van 36 maanden.

Naar aanleiding van signalen en voorstellen van betrokken partijen heeft minister Dijsselbloem daarnaast besloten dat de reguliere PE-examens afgenomen gaan worden op beroepskwalificatieniveau. De voorgenomen opzet was dat de reguliere PE geëxamineerd zou worden op het niveau van de modules waaruit het diploma/de beroepskwalificatie is opgebouwd. Dit zou in de praktijk echter tot een te grote belasting bij alle betrokken partijen leiden. Dit betekent dat ik de opzet van de overgangstermijn continueer, waarin de PEplus examens ook op het niveau van beroepskwalificatie zijn vormgegeven.

Hardheidsclausule c.q. ontheffingsmogelijkheid

De AFM kan volgens deze wettelijke mogelijkheid op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van de vergunningseisen die op basis van de Wet op het financieel toezicht (Wft) worden gesteld. Daaraan zijn wel voorwaarden verbonden. Zo dient de aanvrager (financiële adviseur) aan te tonen dat redelijkerwijs niet kan worden voldaan aan de vakbekwaamheidseisen en dat de doeleinden die de vakbekwaamheidseisen beogen te bereiken anderszins worden bereikt. Concreet betekent dit dat de adviseur gedurende de overgangstermijn niet in staat is geweest om zijn beroepskwalificatie te halen en dat zijn vakbekwaamheid op een andere manier is geborgd. De adviseur moet daarbij kunnen aantonen dat het belang van zijn of haar klanten goed wordt bediend. De AFM zal per aanvraag vaststellen of er een tijdelijke ontheffing wordt gegeven en wanneer een adviseur alsnog zijn beroepskwalificatie moet hebben gehaald. Zij zal daartoe, in overleg met het ministerie van Financiën en het CDFD, met een nadere invulling komen. Naar verwachting kan komend najaar meer duidelijkheid worden gegeven.

terug