APV-fraude moeilijk in kaart te brengen

Bron: Rijksoverheid

De aard en omvang van belastingontduiking en fraude in de zogenoemde Afgezonderd Particulier Vermogen (APV) structuren is zeer moeilijk in kaart te brengen. Dat schrijft de Coördinatiegroep Constructiebestrijding van de Belastingdienst (CCB) aan de vaste commissie van Financiën. Volgens het CCB zijn er geen harde cijfers te noemen.

Uitnodiging

In een zogenoemde position paper geeft de Coördinatiegroep Constructiebestrijding van de Belastingdienst (CCB) uitleg aan de vaste commissie van Financiën ter voorbereiding op de expertmeeting van 12 september. De CCB is in 1987 door de toenmalige staatssecretaris ingesteld met als doel om op landelijk gecoördineerde wijze standaardmatige belastingbesparende constructies door de Belastingdienst aan te laten pakken. De vaste Commissie heeft vooraf van de meeting vragen gesteld aan de CCB op het gebied van APV-structuren.

APV-structuren

Het afzonderen van particulier vermogen was een veel voorkomende methode waarbij getracht werd om vermogen buiten zicht en bereik van de fiscus te houden. Dit gebeurde door de band tussen een onderneming en/of een eenvoudige bank- en/of effectenrekening en de uiteindelijke gerechtigde te doorbreken door gebruik te maken van buitenlandse rechtsvormen, al dan niet in combinatie met meestal in belastingparadijzen gevestigde zogenaamde offshore vennootschappen. De band wordt doorbroken doordat genoemde rechtsvormen geen aandeelhouders kennen waardoor het vermogen zogenaamd ‘zwevend vermogen’ wordt. Er is dan, althans op papier, geen (natuurlijk) persoon die uiteindelijk als eigenaar van het vermogen kan worden bestempeld.

Invoering artikel 2.14a Wet IB

Om aan deze discussie een eind te maken werd per 1 januari 2010 artikel 2.14a Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) ingevoerd. ‘Degene die vermogen heeft ingebracht in een afgezonderd particulier vermogen, wordt, voor de toepassing van de belastingwetgeving, geacht hiervan nog steeds eigenaar te zijn gebleven en na zijn overlijden zijn erfgenamen.’ Zoals bij iedere andere wetgeving die is ingevoerd ter bestrijding van ongewenste constructies om belasting te ontgaan, wordt op die wetgeving gereageerd door het construeren van nieuwe structuren die net niet door de nieuwe anti-ontgaanswetgeving worden bestreken.

Obstakels

Het is aan de Belastingdienst om dergelijke structuren te ontdekken en om het met juridische argumenten te bestrijden. Volgens het CCB loopt de Belastingdienst daarbij tegen veel obstakels aan:

  • Het is voor de Belastingdienst niet altijd makkelijk om het bestaan van genoemde structuren te achterhalen. De structuren die worden opgezet door (de adviseur van) de belastingplichtige worden niet uit eigen beweging gemeld aan de inspecteur.
  • Bij het informatie vergaren is de inspecteur afhankelijk van de belastingplichtige of zijn adviseur. Zij ontkennen elke betrokkenheid.
  • Dient ten gevolge dat de inspecteur alleen de papieren-werkelijkheid kent, wat vaak afwijkt van de daadwerkelijke constructie. De bewijslast is voor de inspecteur dan heel lastig.
  • Door al deze obstakels is het beoordelen van APV-structuren een langdurig proces, wat belastingplichtigen gebruiken om vermogensbestanddelen weg te sluizen.

Geen harde cijfers

Het CCB geeft daarom aan dat ze geen harde cijfers kunnen noemen over de omvang en de aard van belastingontduiking en fraude. ‘Het blijkt zeer moeilijk in kaart te brengen’, zo schrijven ze in de brief.  Over de samenwerking met de FIOD en het OM zijn ze wel zeer tevreden. ‘De samenwerking is vanuit de CCB gezien als uitstekend te kwalificeren en heeft tot zichtbare resultaten geleid in het algemeen en op APV-terrein in het bijzonder.’

terug