Vpb-plicht

Bron: Redactie FiscaalTotaal

Vpb-plicht

In de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt bepaald dat vennootschapsbelasting wordt geheven van de lichamen genoemd in de artikelen 2 en 3 van die wet.

Binnenlandse belastingplichtigen

Binnenlands belastingplichtig zijn de in de Wet Vpb genoemde lichamen die in Nederland zijn gevestigd. Er is een opsomming opgenomen in de Wet Vpb. Er kan een verdeling gemaakt worden tussen onbeperkt belastingplichtigen die op grond van de rechtsvorm belastingplichtig zijn en beperkt belastingplichtigen die belastingplichtig zijn voor zover zij een onderneming drijven.

Belastingplichtig op grond van de rechtsvorm

  • naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, open commanditaire vennootschappen en andere vennootschappen welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld;
  • coöperaties en verenigingen op coöperatieve grondslag;
  • onderlinge waarborgmaatschappijen en verenigingen welke op onderlinge grondslag als verzekeraar of bank optreden;
  • verenigingen en stichtingen die op de voet van de Woningwet zijn toegelaten als instelling die in het belang van de volkshuisvesting werkzaam zijn;
  • fondsen voor gemene rekening

Belastingplicht voor stichtingen, verenigingen en goeddoelinstellingen
Stichtingen, verenigingen en goeddoelinstellingen zijn niet op basis van hun rechtsvorm belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Ze zijn slechts belastingplichtig indien en voor zover zij een onderneming drijven. Onder het drijven van een onderneming wordt mede verstaan een uiterlijk daarmee overeenkomende werkzaamheid waardoor in concurrentie wordt getreden met belaste ondernemingen. Dat stichtingen en verenigingen slechts belastingplichtig zijn voor zover zij een onderneming drijven, betekent dat zij tegelijkertijd zowel belaste als onbelaste activiteiten kunnen verrichten. Als daarvan sprake is, zal een afbakening en toedeling van de verschillende activiteiten moeten plaatsvinden (vermogensetikettering). Dit is in de praktijk niet altijd even makkelijk. Om blijvende twijfel te vermijden, kan het raadzaam zijn de belaste en onbelaste activiteiten te scheiden en in aparte lichamen onder te brengen.

In de Wet Vpb is sinds 1 januari 2012 een generieke vrijstelling opgenomen voor alle stichtingen en verenigingen met beperkte winstgevende ondernemingsactiviteiten. ANBI’s, SBBI’s en andere stichtingen en verenigingen die via (cultureel) ondernemerschap hun eigen inkomsten genereren, worden niet meer geconfronteerd met de administratieve en financiële verplichtingen die samenhangen met het doen van aangifte. Voorwaarde is wel dat de winst van het jaar niet meer dan € 15.000 bedraagt dan wel niet meer dan € 75.000 over het jaar zelf en de vier voorafgaande jaren gezamenlijk.

Fictief binnenlands belastingplichtigen
De Wet Vpb bevat een fictie: als de oprichting van een lichaam heeft plaatsgevonden naar Nederlands recht, dan wordt voor de toepassing van deze wet (met uitzondering van bepaalde artikelen in de Wet Vpb) het lichaam steeds geacht te zijn gevestigd in Nederland en geacht binnenlands belastingplichtig te zijn.

Verplaatsen feitelijke leiding naar Nederland
Een naar vreemd recht opgericht en in het buitenland gevestigd lichaam wordt geacht in Nederland gevestigd te zijn en binnenlands belastingplichtig te zijn als de werkelijke leiding van deze vennootschap vanuit Nederland wordt gevoerd.

Begin en einde van binnenlandse belastingplicht

Begin van de binnenlandse belastingplicht
Bij lichamen die op grond van hun rechtsvorm belastingplichtig zijn (bv’s, nv’s etc.) begint de belastingplicht op het moment waarop het lichaam wordt opgericht. Als een nv of bv na de oprichting rechtshandelingen bekrachtigt uit de periode dat de nv of bv nog in oprichting was (de voorperiode), worden de resultaten daaruit bij de nv of bv in de heffing betrokken. Bij de lichamen die niet op grond van hun rechtsvorm belastingplichtig zijn (bijvoorbeeld verenigingen en stichtingen) begint de belastingplicht op het moment waarop de bedrijfsuitoefening begint; bij vrijgestelde lichamen is op het moment dat de vrijstelling niet langer meer van toepassing is.

Einde van de binnenlandse belastingplicht
De belastingplicht van lichamen eindigt o.a.:

  • als de liquidatie is voltooid;
  • als de belastingplichtige een vrijgesteld lichaam of belegingsinstelling wordt;
  • bij omzetting naar een niet belastingplichtig lichaam;
  • bij beëindiging van bedrijfsuitoefening (bij verenigingen en stichtingen);
  • bij het verkrijgen van de status van indirect overheidsbedrijf (en die niet één van de opgesomde organisaties zijn in de Wet Vpb).

Bij niet naar Nederlands opgerichte lichamen eindigt de binnenlands belastingplicht bij overbrenging van de feitelijke vestigingsplaats (eventueel kan buitenlands belastingplicht ontstaan).

Buitenlandse belastingplicht

Ook de buitenlandse belastingplicht is te vinden in de Wet Vpb. Dit betreft: de niet in Nederland gevestigde:

  • verenigingen en andere rechtspersonen;
  • open commanditaire vennootschappen en andere niet rechtspersoonlijkheid bezittende vennootschappen welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld;
  • doelvermogens;
  • maar op Aruba, Curacao of Sint Maarten gevestigde lichamen die een onderneming drijven met behulp van een vaste inrichting op de BES eilanden of een vaste vertegenwoordiger op de BES eilanden;

die Nederlands inkomen genieten.
Lichamen die vergelijkbaar zijn met een naar Nederlands recht opgerichte vereniging of stichting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e Wet vpb 1969, of die een kerkgenootschap zijn, slechts aan de belasting onderworpen voor zover zij een onderneming drijven.

Artikel 3 Wet Vpb heeft het over de subjectieve buitenlandse belastingplichtigen. Het object van de venootschapsbelasting bij buitenlandse belastingplichtigen is te vinden in artikel 17 van de Wet vennootschapsbelasting.

Einde van de buitenlandse belastingplicht
Als de buitenlandse belastingplichtigen niet meer Nederlands inkomen genieten of als hun feitelijke zetel naar Nederland wordt verplaatst, vervalt de buitenlandse belastingplicht.

Vrijgestelde lichamen

Ziekenhuizen, ziekenfondsen, zorgverzekeraars, uitvaartverzekeraars, landgoederen-nv’s, herstelorganisaties van rijksmonumenten, bejaardentehuizen en verschillende andere lichamen zijn onder bepaalde voorwaarden vrijgesteld van belastingheffing. De voorwaarden hebben meestal betrekking op het al dan niet mogen maken van winst en de besteding van eventuele winst. Als bepaalde activiteiten in een lichaam een bedreiging vormen voor een vrijstelling, bijvoorbeeld omdat deze activiteiten te veel winst gaan genereren, of als het gewenst is om de winsten uit deze activiteiten vrijelijk an te wenden, kan overwogen worden om deze activiteiten in een apart lichaam te plaatsen. Zo kan voorkomen vormen worden dat de vrijstelling voor het hele lichaam vervalt.

Overheidsbedrijven

Door overheidslichamen zelf gedreven ondernemingen (directe overheidsbedrijven) zijn slechts belastingplichtig als zij een van de volgende bedrijven uitoefenen: landbouwbedrijf, nijverheidsbedrijf (waaronder energiebedrijven), mijnbouwbedrijf, handelsbedrijf, vervoersbedrijf of een bouwkas. Volledig door overheidsorganen beheerste lichamen (indirecte overheidsbedrijven) zijn belastingplichtig als zij een van de hiervóór genoemde bedrijven uitoefenen of als zij bij naam zijn genoemd in de wet.

Per 1 januari 2016 geldt er een regeling voor de belastingplicht van overheidslichamen. Alle overheidslichamen worden in principe gekwalificeerd als belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting tenzij er een vrijstelling geldt. Het overheidslichaam moet wel in concurrentie treden. Interne activiteiten voor de eigen organisatie zijn dan ook onder andere vrijgesteld van vennootschapsbelasting.

Tarief van de vennootschapsbelasting

Bij een belastbaar bedrag of een belastbaar Nederlands bedrag van meer dan 0 euro maar niet meer dan € 200.000 bedraagt het percentage 20%. Bij een belastbaar bedrag of een belastbaar Nederlands bedrag van meer dan € 200.000 bedraagt de belasting € 40.000, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend aan de hand van de volgende rekenformule (belastbaar bedrag of een belastbaar Nederlands bedrag x 25%).

Voorbeeld 1

Belastbaar bedrag is 120.000. Het belastbaar bedrag bedraagt minder dan € 200.000 dus valt het onder het lagere tarief van 20%. De rekensom wordt dan € 120.000 x 20% = € 24.000.

Voorbeeld 2

Belastbaar bedrag is € 350.000. Voor het gedeelte tot € 200.000 is het tarief 20% dus een bedrag van € 40.000. Voor de overige € 150.000 is het tarief 25% (€ 150.000 x 25% = € 37.500). Dit komt uit op een bedrag van € 40.000 + € 37.500 = € 77.500.


naar boven

Dit document en meer vindt u in FiscaalTotaal:

  • Betrouwbare en actuele fiscale en financiële vakinformatie
  • Integraal inzicht in een groot aantal fiscale thema’s
  • Praktische ondersteuning bij uw dagelijkse werkzaamheden

    Lees verder over FiscaalTotaal


Gerelateerde nieuwsartikelen