Ondernemersfaciliteiten

Bron: Redactie FiscaalTotaal

Ondernemersfaciliteiten

IB-ondernemers hebben recht op bepaalde (extra) aftrekposten die ondernemersfaciliteiten worden genoemd. Dit themadossier geeft een opsomming van deze faciliteiten en de voorwaarden die hiervoor gelden.

1. Korte opsomming ondernemersfaciliteiten

De zelfstandigenaftrek
Elke ondernemer heeft hier recht op tegen het volgende bedrag:
– € 7.280;
– € 3.640 voor AOW-gerechtigde ondernemers;
– voor starters geldt een verhoging van € 2.123. Als sprake is van de geruisloze voortzetting van een onderneming die eerst als een BV werd gedreven, kan geen aanspraak worden gemaakt op deze verhoging.

De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk
Bij ten minste 500 uur speur- en ontwikkelingswerk geldt een aftrek van € 12.623. Voor starters die in de toetsperiode niet meer dan tweemaal de aftrek hebben toegepast, wordt de aftrek verhoogd met € 6.315. Als sprake is van de geruisloze voortzetting van een onderneming die eerst als een BV werd gedreven, kan geen aanspraak worden gemaakt op deze verhoging.

De meewerkaftrek
Er bestaat recht op deze aftrek als uw fiscale partner zonder enige vergoeding arbeid in de onderneming verrichtte (meewerkte).

aantal uren arbeid van de partner
gelijk aan of meer dan
maar minder dan meewerkaftrek
525 875 1,25% van de winst
875 1.225 2% van de winst
1.225 1.750 3% van de winst
1.750 en meer 4% van de winst

De oudedagsreserve
Ondernemers kunnen ten laste van de winst een reserve opbouwen voor hun oude dag. De opbouw bedraagt elk jaar 9,44% van de winst, maar niet meer dan het laagste bedrag van:
– € 8.775 verminderd met de ten laste van de winst gekomen pensioenpremies;
– het verschil tussen het ondernemingsvermogen per het einde van het jaar en de stand van de oudedagsreserve aan het begin van het jaar.

De startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid
(Gedeeltelijk) arbeidsongeschikte starters die niet aan het urencriterium (zie onder 3. Urencriterium) voldoen maar minstens 800 uur per kalenderjaar besteden aan het voor eigen rekening drijven van een onderneming, krijgen een aparte aftrekpost van € 12.000, € 8.000 en € 4.000 voor het eerste, tweede, respectievelijk derde aftrekjaar. De aftrek is echter niet hoger dan de winst (over alle ondernemingen) en zij hebben geen recht op de faciliteiten die (in elk geval) aansluiten bij het ‘normale’ urencriterium. In de wet is aangegeven wanneer sprake is van arbeidsongeschiktheid voor deze aftrek.

Als sprake is van de geruisloze voortzetting van een onderneming die eerst als een BV werd gedreven, kan geen aanspraak worden gemaakt op deze aparte aftrekpost.

De MKB-winstvrijstelling
De vrijstelling houdt in dat van de winst 14% mag worden afgetrokken.

De stakingsaftrek
Bij staking van de hele onderneming hebt u recht op een stakingsaftrek van € 3.630.

De energie-investeringsaftrek (EIA)
De EIA is voor 2018 op een percentage van 54,5% vastgesteld en is van toepassing bij een bedrag aan (nieuwe) energie-investeringen in een kalenderjaar van meer dan € 2.500. Als bedrag aan energie-investeringen wordt ten hoogste € 121 miljoen in aanmerking genomen en er wordt aangesloten bij een zogenoemde Energielijst. Bij een samenwerkingsverband worden de investeringen voor het hele samenwerkingsverband samengenomen.

De milieu-investeringsaftrek (MIA)
De MIA is van toepassing bij een bedrag aan (nieuwe) milieu-investeringen in een kalenderjaar van meer dan € 2.500. Per bedrijfsmiddel kan niet meer dan € 25 miljoen in aanmerking worden genomen en er wordt aangesloten bij een zogenoemde Milieulijst. Het aftrekpercentage is afhankelijk van de soort investeringen:
– voor milieu-investeringen categorie I: 36%;
– categorie II: 27%;
– categorie III: 13,5%.

Als voor een bedrijfsmiddel al energie-investeringsaftrek wordt verkregen, kan niet ook nog milieu-investeringsaftrek worden toegepast.

2. Ondernemer of medegerechtigde?

Alleen ondernemers hebben recht op de faciliteiten; zogeheten medegerechtigden kunnen hierop geen aanspraak maken. Medegerechtigden zoals commanditair vennoten drijven geen onderneming voor eigen rekening en worden niet rechtstreeks verbonden voor verbintenissen betreffende de onderneming. Er moet sprake zijn van een reële onderneming waarbij het korte bestaan van een samenwerkingsverband op zich niet beslissend is. Onder ondernemers vallen ook beoefenaars van een zelfstandig beroep. Bij een samenwerkingsverband is van belang of de betreffende persoon de anderen kan binden, waarbij deelname in een stille maatschap in principe geen ondernemerschap oplevert.

3. Urencriterium

Voor de eerste vijf faciliteiten moet ook aan het urencriterium worden voldaan, waarbij voor de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid een verlaagd urencriterium geldt. Voor de oudedagsreserve geldt nog een specifieke uitzondering bij terugkeer uit een BV. Het urencriterium kent de volgende cumulatieve eisen:
– de ondernemer besteedt minimaal 1.225 uur per kalenderjaar aan het voor eigen rekening drijven van een onderneming of ondernemingen. Voor de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid geldt een minimum van 800 uur maar er bestaat geen recht op deze aftrek als aan het ‘normale’ urencriterium wordt voldaan;
– van de voor werkzaamheden beschikbare tijd wordt meer dan de helft aan de onderneming besteed (de zogenoemde grotendeelseis). Denk hierbij aan een onderneming die wordt gedreven naast een dienstbetrekking. Deze eis geldt niet voor de starters(aftrek bij arbeidsongeschiktheid).

Ook buitenlandse belastingplichtigen kunnen alle uren meetellen en niet alleen de ‘Nederlandse’ uren.

4. Uitzonderingen op het urencriterium

Ondernemers die in één of meer van de vijf voorafgaande jaren geen ondernemer waren (starters), hoeven niet aan de grotendeelseis te voldoen.

Zwangere ondernemers worden geacht gedurende de periode van hun zwangerschaps- en bevallingsverlof een normaal aantal uren in hun onderneming werkzaam te zijn.

(Gedeeltelijk) arbeidsongeschikte starters die niet aan het benodigde aantal uren van 1.225 per jaar komen, hoeven slechts 800 uur per kalenderjaar te besteden aan het voor eigen rekening drijven van een onderneming. Zij krijgen een aparte aftrekpost van € 12.000, € 8.000 en € 4.000 voor het eerste, tweede, respectievelijk derde jaar. De aftrek is echter niet hoger dan de winst (uit alle ondernemingen) en zij hebben geen recht op de faciliteiten die (in elk geval) aansluiten bij de 1.225-uurseis.

Werkzaamheden die 70% of meer ondersteunend zijn én worden verricht binnen een ongebruikelijk samenwerkingsverband tussen verbonden personen (bijvoorbeeld familie), tellen niet mee. U moet ook bij navordering het tegendeel aannemelijk maken. Als de werkzaamheden meer inhouden dan alleen ondersteunende werkzaamheden, is meestal ook geen sprake van een ongebruikelijk samenwerkingsverband. Binnen het samenwerkingsverband kunnen meerdere ondernemingen worden gedreven zodat per onderneming moet worden getoetst of de uitzondering van toepassing is.

Als de winst uit onderneming feitelijk afkomstig is uit een ondermaatschap/-firma van een verbonden persoon terwijl de ondernemer zelf uit de ondermaatschap/-firma geen winst behaalt, tellen de verrichte werkzaamheden niet mee. Dit geldt ook als bij een samenwerkingsverband de winst feitelijk afkomstig is van een eigen BV of die van een verbonden persoon.

Uren die geen direct verband hebben met de onderneming tellen niet mee; het is dus bij een kantoor aan huis belangrijk dat zakelijke en privé-uren duidelijk kunnen worden onderscheiden. Het is ook mogelijk dat door de aard van de onderneming wordt aangesloten bij het aantal gedeclareerde uren. Studie- of opleidingsuren worden meestal niet meegeteld, maar wel als zij essentieel zijn voor de onderneming.

5. Struikelblok

Uit de jurisprudentie blijkt dat het urencriterium vaak een struikelblok is door:
– de aard van de werkzaamheden;
– het bestaan van een dienstbetrekking naast de onderneming;
– het onvoldoende bijhouden van gewerkte uren;
– het bestaan van een ‘ongebruikelijk samenwerkingsverband’.

6. Beperking zelfstandigenaftrek voor niet-starters

De zelfstandigenaftrek is voor niet-starters beperkt tot de in het betreffende jaar genoten winst (uit alle ondernemingen). Ondernemers die in aanmerking komen voor de extra aftrek voor starters krijgen wel de volledige zelfstandigenaftrek en extra aftrek. Starters kunnen dus wel verrekenen met ander inkomen in box 1 of door toepassing van de (verhoogde) zelfstandigenaftrek een box 1-verlies laten ontstaan dat kan worden verrekend met inkomens van andere jaren.

Niet-starters kunnen niet-gerealiseerde – bij de aanslagregeling door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgestelde – zelfstandigenaftrek in een van de volgende negen jaren claimen als er genoeg winst is. Verrekening is alleen mogelijk als ook recht bestaat op de zelfstandigenaftrek.


naar boven

Dit document en meer vindt u in FiscaalTotaal:

  • Betrouwbare en actuele fiscale en financiële vakinformatie
  • Integraal inzicht in een groot aantal fiscale thema’s
  • Praktische ondersteuning bij uw dagelijkse werkzaamheden

    Lees verder over FiscaalTotaal


Gerelateerde nieuwsartikelen