Lijfrenteproducten vanaf 2001

Bron: Redactie FiscaalTotaal

Lijfrenteproducten vanaf 2001

Er zijn diverse manieren om individueel een oudedagsvoorziening op te bouwen onder aftrek van de betaalde premie dan wel (spaar)inleg. Dat geldt voor de volgende lijfrenteproducten:
– een lijfrenteverzekering (bij een verzekeraar);
– een lijfrente(spaar)rekening (bij een bank of beleggingsonderneming);
– een lijfrentebeleggingsrecht (bij een beleggingsinstelling).

Het fiscale voordeel is dan dat over het betaalde bedrag inkomstenbelasting (IB) kan worden terugontvangen via de aangifte IB.

Vanaf 2015 is de mogelijkheid om een oudedagsvoorziening op te bouwen onder aftrek van premies in box 1 beperkt tot een maximum ‘verzamelinkomen’ van € 100.000 (aftoppingsgrens, bedrag 2017: € 103.317).

Vanaf 2015 is een nieuwe fiscale faciliteit voor nettolijfrenten in box 3 ingevoerd. Voor zover het verzamelinkomen uitkomt boven de aftoppingsgrens kan een nettolijfrente in box 3 worden opgebouwd over dat meerdere. De waarde van een nettolijfrenterecht vormt een vrijgestelde bezitting in box 3. De daaruit vloeiende termijnen zijn onbelast. Bovendien geldt dat de voor de nettolijfrente betaalde bedragen niet aftrekbaar zijn (zie onder 6. Nettolijfrente).

Of een lijfrente een optimaal en aantrekkelijk product is, is afhankelijk van verschillende factoren, waaronder de individuele omstandigheden en wensen.

1. Algemeen; de Wet IB 2001 en het boxenstelsel

Lijfrenten kunnen onder de Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) worden ondergebracht in twee fiscale boxen, box 1 en box 3. De vormgeving van de lijfrente is bepalend voor de fiscale behandeling ervan. Lijfrenten waarvoor op grond van de vormgeving geen recht op premieaftrek bestaat behoren in principe tot box 3. Er is dan jaarlijks vermogensrendementsheffing verschuldigd over de waarde van het lijfrenterecht. Een uitzondering geldt voor de per 2015 ingevoerde nettolijfrente. De vormgeving van een nettolijfrente is hetzelfde als die van een lijfrente in box 1 waarvoor de premies aftrekbaar zijn. Beide producten moeten administratief gescheiden worden. Voor de nettolijfrente in box 3 geldt in box 3 een vrijstelling (onder voorwaarden). De premie is niet aftrekbaar en de toekomstige uitkeringen zijn onbelast.

Een lijfrente waarvoor op basis van de vormgeving recht op aftrek van de betaalde bedragen bestaat, behoort niet tot box 3, maar tot box 1. De betaalde bedragen premies zijn dan (gemaximeerd) aftrekbaar in box 1 en de termijnen zijn in beginsel volledig in box 1 belast.

Voor bepaalde oude lijfrenten kan een afwijkende fiscale behandeling gelden.

2. Lijfrentevormen met recht op aftrek in box 1

Lijfrenten met een box 1-vormgeving, de zogenoemde toegestane lijfrenten ter compensatie van een pensioentekort, komen in beginsel voor aftrek van betaalde lijfrentepremies dan wel -inlegbedragen in aanmerking. De bedragen zijn aftrekbaar in box 1 als uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Qua hoogte in aftrek moet onderscheid worden gemaakt tussen lijfrenten ter compensatie van een pensioentekort (aftrek gemaximeerd) en lijfrenten voor een meerderjarig invalide kind (aftrek in beginsel onbeperkt).

Nettolijfrenten in box 3 hebben weliswaar dezelfde vormgeving als een box 1-lijfrente waarvoor de premies aftrekbaar zijn, maar volgen een ander fiscaal regime. Als wordt voldaan aan de geldende voorwaarden is de waarde van een nettolijfrente in box 3 vrijgesteld.

2.1. Lijfrenten met beperkte aftrek

Lijfrenten ter compensatie van een pensioentekort (verzekerd en bancair) zijn:

  • de levenslange oudedagslijfrente;
  • de nabestaandenlijfrente;
  • de tijdelijke oudedagslijfrente.

2.2. Lijfrenten met onbeperkte aftrek

Voor lijfrenten ten behoeve van een meerderjarig invalide kind geldt in beginsel geen wettelijke aftrekbeperking. Deze lijfrentevariant bestaat alleen in de verzekeringssfeer.

3. Toegestane aanbieders van lijfrenten

Voor de aftrek van lijfrentepremies moeten de premies zijn verschuldigd aan een toegestane verzekeraar. Daarbij valt in eerste instantie te denken aan een professionele verzekeraar. De op een bancaire lijfrente ingelegde bedragen zijn in beginsel aftrekbaar als de lijfrente is gesloten bij een bank, een beleggingsonderneming of (een beheerder van) een beleggingsinstelling.

4. Aanpassing lijfrentepolissen en herstel administratieve fout

Om op grond van de Wet IB 2001 voor aftrek in aanmerking te komen, moeten alle lijfrentepolissen voldoen aan de bepalingen van die wet. Dit geldt ook voor oude contracten van vóór inwerkingtreding van de Wet IB 2001. Voor premieaftrek moeten oude lijfrentecontracten meestal worden aangepast aan de nieuwe regelgeving.

Los van de aftrekfaciliteit, kunnen lijfrentepolissen en –spaarovereenkomsten om een andere reden worden aangepast. Aanpassing voor de toekomst is vaak wel mogelijk, zij het dat daaraan in het algemeen fiscale gevolgen zijn verbonden. Het aanpassen van polissen en spaarovereenkomsten met terugwerkende kracht is slechts in uitzonderingssituaties toegestaan.

5. Hoogte en tijdstip aftrek box 1-lijfrente

Premies en inlegbedragen die zijn betaald voor lijfrenten ter compensatie van een pensioentekort (verzekerd én bancair) zijn aftrekbaar als er sprake is van een pensioentekort. Bovendien zijn de bedragen beperkt aftrekbaar binnen de wettelijke aftrekruimten:
– de jaarruimte;
– de reserveringsruimte;
– de ruimte bij omzetting oudedagsreserve in een lijfrente;
– de ruimte bij omzetting stakingswinst in een lijfrente.

Tot 2013 gold dat in bepaalde gevallen de door de belastingplichtige aan een tussenpersoon betaalde beloning ook aftrekbaar was. Deze beloning was tot dat jaar aftrekbaar binnen de jaar- en reserveringsruimte.

Lijfrentepremies zijn in beginsel aftrekbaar op het tijdstip waarop deze zijn betaald of verrekend. Soms kunnen de in een bepaald jaar betaalde bedragen in een eerder jaar worden afgetrokken (terugwenteling). Is men vergeten de lijfrentepremies of –inlegbedragen af te trekken of terug te wentelen, dan kan daarop in bepaalde gevallen worden teruggekomen.

6. Oneigenlijke handelingen met een box 1-lijfrente

Als een box 1-lijfrente (verzekerd en bancair) bijvoorbeeld wordt afgekocht, vervreemd, beleend of prijsgegeven, heeft dat gevolgen voor de belastingheffing. Hetzelfde geldt bij overschrijding van de wettelijke uitvoeringstermijn voor lijfrenten. Bij zo’n oneigenlijke handeling worden negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen bij het inkomen in box 1 geteld. Negatieve uitgaven worden gesteld op de volledige waarde van de lijfrente, dan wel op het hogere bedrag van de op de lijfrente betaalde bedragen (bij niet ingegane lijfrenten). Dit wordt ook wel de minimumwaarderingsregel genoemd.

De minimumwaarderingsregel is in september 2015 afgeschaft bij afkoop van box 1-lijfrenten. Dit betekent dat in zo’n situatie voortaan wordt geheven over de waarde van de lijfrente en niet meer over een eventueel hoger bedrag aan betaalde bedragen. Dat kan voordelig zijn.

Bij afkoop van een box 1-lijfrente kan soms rekening worden gehouden met niet-afgetrokken bedragen.

Naast heffing van negatieve uitgaven is maximaal 20% revisierente van de totaalwaarde van de lijfrente verschuldigd. Als de tegenbewijsregeling revisierente van toepassing is, kan de verschuldigde revisierente lager uitpakken. Gaat het om een lijfrente van vóór 1992 dan is meestal geen revisierente verschuldigd.

Vorenstaande fiscale gevolgen gelden niet bij bijvoorbeeld afkoop van:
– een zogenoemde ‘kleine’ lijfrente;
– bepaalde lijfrenten die onder de eerbiedigende werking van het fiscale regime van vóór 1992 vallen en;
– een box 1-lijfrente waarvoor de premies aftrekbaar zijn bij langdurige arbeidsongeschiktheid (zie onder 8).

In deze drie situaties geldt het systeem van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen niet. De afkoopsom is echter wel belast.

In bepaalde gevallen en onder voorwaarden is het toegestaan de ‘te veel’ op een lijfrenteverzekering, -(spaar)rekening en -beleggingsrecht betaalde bedragen teruggestort te krijgen zonder dat hieraan (de) fiscale gevolgen (van afkoop) zijn verbonden. De regeling is tijdelijk.

7. Nettolijfrente

Vanaf 2015 is de in box 3 vrijgestelde nettolijfrente ingevoerd. Met een nettolijfrente in box 3 kan over het deel van een bepaalde – wettelijke – inkomensgrondslag dat uitkomt boven de aftoppingsgrens van € 103.317 (bedrag 2017), onder gebruikmaking van een extra box 3-vrijstelling, een oudedagsvoorziening worden opgebouwd. De waarde van een aanspraak op een nettolijfrente is vrijgesteld in box 3, terwijl de uit die nettolijfrente-aanspraak voortvloeiende uitkeringen niet belast zijn, noch in box 1, noch in box 3.

De toegestane inleg op een nettolijfrente in box 3 is wettelijk begrensd en leeftijdsafhankelijk, maar is niet aftrekbaar. De nettolijfrente kent net als de box 1-lijfrente een reserveringsruimte op grond waarvan in het verleden onbenut gelaten inlegruimte alsnog kan worden benut.

Om oneigenlijke handelingen met een nettolijfrente zoveel mogelijk te voorkomen is een antimisbruikbepaling in de wet opgenomen. Op basis daarvan kan de box 3-vrijstelling als het ware met terugwerkende kracht worden teruggenomen bij een strijdige handeling met een nettolijfrente. Er kan een tegenbewijsregeling van toepassing zijn.

8. Afkoop bij langdurige arbeidsongeschiktheid

Vanaf 2015 kan bij langdurige arbeidsongeschiktheid een aanspraak op een box 1-lijfrente worden afgekocht zonder dat negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen bij het box 1-inkomen worden geteld. Er is dan ook geen revisierente verschuldigd. De ontvangen afkoopsom behoort wel tot het box 1-inkomen. Een nettolijfrente in box 3 kan ook worden afgekocht zonder dat de reguliere fiscale gevolgen bij afkoop gelden. De nettolijfrentevrijstelling in box 3 gaat dan niet verloren.

Om gebruik te kunnen maken van deze regeling moet worden dat sprake is van langdurige arbeidsongeschiktheid. Dit kan onder meer blijken uit een verklaring van een arts.

9. Omzetten en bedingen box 1-lijfrente

De ene toegestane box 1-lijfrente kan fiscaal geruisloos worden omgezet in een andere toegestane box 1-lijfrente. Fiscaal geruisloos wil zeggen dat de nieuwe lijfrente fiscaal als een voortzetting van de oude wordt beschouwd, zonder dat de omzetting als zodanig leidt tot heffing. Zo kan een bij een verzekeraar ondergebrachte lijfrente worden omgezet naar een lijfrente bij een bank. Voor iedere fiscaal geruisloze omzetting geldt altijd dat niet over de lijfrentewaarde of het lijfrente(spaar)tegoed mag worden beschikt!

De keerzijde van de aftrekfaciliteit is dat er ooit iets met het lijfrentekapitaal moet gebeuren. Bij expiratie van het lijfrentekapitaal, alsmede bij het bereiken van de contractueel overeengekomen lijfrente-ingangsdatum, zullen in principe lijfrentetermijnen moeten ingaan. In bepaalde gevallen kan echter ook opnieuw een uitgestelde lijfrente worden aangekocht. Voor het invullen van de uitkeringsfase van een lijfrente geldt vanaf 1 januari 2010 een wettelijke termijn. Bij overschrijding van die termijn is de minimumwaarderingsregel niet meer van toepassing.

De wettelijke uitvoeringstermijn geldt voor alle verzekerde lijfrenten (oud en nieuw), maar ook voor de bancaire lijfrenten.

10. Heffingssystematiek terzake van lijfrentetermijnen

Vanaf 2009 geldt dat als er sprake is van een volgens de Wet IB 2001 toegestane box 1-lijfrente (met recht op aftrek), er in principe altijd integrale heffing over de lijfrentetermijnen volgt. In sommige gevallen kan bij de belastingheffing over die termijnen nog rekening worden gehouden met niet-afgetrokken bedragen (saldomethode). Datzelfde geldt in het algemeen ook bij afkoop.

Vanaf 2010 moet loonbelasting (LB) worden ingehouden op in principe alle vormen van geldelijke uitkeringen uit lijfrenten. De aanbieder van de lijfrente is inhoudingsplichtig voor de LB.

11. Bijzondere situaties

Als bij de verdeling van een gemeenschap bij echtscheiding een lijfrente door de ene ex-echtgenoot wordt vervreemd aan de ander, worden in beginsel geen negatieve uitgaven in aanmerking genomen. Bij afkoop van de alimentatieplicht, alsmede bij verrekening van pensioenrechten middels aankoop van een lijfrenteverzekering kan de eenmalige lijfrentepremie aftrekbaar zijn als onderhoudsverplichting. Beide faciliteiten bestaan alleen in de verzekeringssfeer.

De lijfrente bij de eigen BV neemt een bijzondere positie in binnen de fiscaliteit. Er gelden dan extra aandachtspunten, waaronder waarderingsaspecten. Bij lijfrenten kunnen ook internationale aspecten een rol spelen, zoals bij emigratie.

12. Lijfrenten en de Successiewet

Onder omstandigheden wordt met betrekking tot lijfrenteverzekeringen en bancaire lijfrenten ook schenk- of erfbelasting geheven. De fiscale behandeling van beide soorten producten is onder de Successiewet 1956 anders gezien het karakter van de producten. Het tarief voor schenk- en erfbelasting is gelijk.

Voor bepaalde vormen van lijfrenten kunnen er vrijstellingen van toepassing zijn.


naar boven

Dit document en meer vindt u in FiscaalTotaal:

  • Betrouwbare en actuele fiscale en financiële vakinformatie
  • Integraal inzicht in een groot aantal fiscale thema’s
  • Praktische ondersteuning bij uw dagelijkse werkzaamheden

    Lees verder over FiscaalTotaal


Gerelateerde nieuwsartikelen