Herinvesteringsreserve

Bron: Redactie FiscaalTotaal

Herinvesteringsreserve

1. Algemeen

Als op een bedrijfsmiddel door vervreemding (meestal verkoop) een boekwinst wordt behaald, mag deze boekwinst op grond van de wet worden ingebracht in een herinvesteringsreserve. Dit bedrag blijft dus (tijdelijk) buiten winst. De reserve kan niet alleen worden gevormd voor de boekwinst bij verkoop, maar ook voor boekwinst door een verzekeringsuitkering bij verlies of beschadiging dan wel door onteigening, of door boekwinst als gevolg van een onttrekking.

Naast de herinvesteringsreserve kan nog altijd gebruik worden gemaakt van de zogenoemde ruilarresten. Op grond van de zgn. ruilarresten kan boekwinst op een bedrijfsmiddel worden afgeboekt op de aanschafprijs van een in hetzelfde jaar gekocht vervangend bedrijfsmiddel.

Let wel op dat als de herinvesteringsreserve gebruikt kan worden, deze voorrang geniet boven de ruilarresten. Met andere woorden: wanneer de mogelijkheid bestaat uit zowel de herinvesteringsreserve als de ruilarresten te kiezen, moet de herinvesteringsreserve worden gekozen.

1.1 Boekwinst

De te reserveren boekwinst is het nettoresultaat van de vervreemding; de rechtstreeks toerekenbare kosten moeten dus van de tegenprestatie worden afgetrokken waardoor de herinvesteringsreserve lager uitvalt.

1.2 Vrijval

Als de herinvesteringsreserve niet (meer) kan/mag worden aangehouden, valt deze vrij en verhoogt de winst.

1.3 Resultaat uit overige werkzaamheden (tot 2010)

Op grond van artikel 3.95 Wet IB 2001 kan de reserve niet worden gevormd als sprake is van resultaat uit overige werkzaamheden, bijvoorbeeld het ter beschikking stellen van panden aan de "eigen" BV.

1.4 Vervroegde of willekeurige afschrijving

Als er vervroegd is afgeschreven, dan wordt de in te brengen boekwinst beperkt. De in te brengen boekwinst wordt gemaximeerd op de boekwinst die zou zijn behaald als er normaal was afgeschreven.

2. Voorwaarden voor het vormen en behouden van de reserve

2.1 Staking

De reserve is verbonden met de onderneming en kan dus niet (blijven) bestaan bij het naar privé brengen van het bedrijfsmiddel. Vóór 2008 kon de reserve niet blijven bestaan bij staking. De jurisprudentie over staking van een onderneming is dus voor die jaren van belang: is er sprake van voortzetting van de onderneming?

Verplaatsing van de onderneming naar het buitenland hoeft niet meteen te betekenen dat de herinvesteringsreserve aan de winst moet worden toegevoegd. Soms is er een speciale regeling bij staking van de onderneming, bijvoorbeeld bij overheidsingrijpen of als de onderneming moet staken door een wijziging van het bestemmingsplan. De vervangingseis geldt in deze gevallen niet.

2.2 Bedrijfsmiddel

Hetgeen wordt vervreemd moet een bedrijfsmiddel zijn, waarbij naar de functie van het bedrijfsmiddel binnen de onderneming moet worden gekeken. Bedrijfsmiddelen zijn de tot het vaste kapitaal behorende goederen die voor het uitoefenen van de onderneming worden gebruikt en dus niet voor de omzet zijn bestemd.

2.3 Vervanging

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen bedrijfsmiddelen die normaal in hoogstens tien jaar worden afgeschreven (categorie I) en bedrijfsmiddelen waarop normaal niet of gedurende meer dan tien jaar wordt afgeschreven (categorie II).

Voor categorie I geldt dat elke volgende aanschaf wordt afgeboekt op de vervangingsreserve ongeacht of het gaat om een vergelijkbaar bedrijfsmiddel.

Voor categorie II geldt dat het nieuwe bedrijfsmiddel of de nieuwe bedrijfsmiddelen het oude bedrijfsmiddel moet(en)vervangen. Hierbij is bepalend of het bedrijfsmiddel binnen de onderneming dezelfde bedrijfseconomische functie heeft.

Het is voor categorie II ook mogelijk om tot vervanging over te gaan nog vóór de vervreemding.

2.4 Vervangingsvoornemen (beide categorieën)

Uiterlijk op de balansdatum van het betreffende boekjaar moet het voornemen tot vervanging bestaan. Vaak faalt de vorming/instandhouding van de reserve op dit punt. Zolang de reserve bestaat, moet het voornemen tot vervanging bestaan. Het voornemen tot vervanging moet voldoende concreet zijn, vage plannen of toezeggingen zijn onvoldoende

2.5 Vervangingstermijn (beide categorieën)

De herinvesteringsreserve moet binnen drie jaar na het jaar van vorming worden gebruikt. Hiervan kan worden afgeweken bij bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld de aard van het bedrijfsmiddel of vertraging van de al begonnen aanschaf.

2.6 Boekwaarde vervangend bedrijfsmiddel (beide categorieën)

De herinvesteringsreserve moet worden afgeboekt op de aanschafprijs/voortbrengingskosten van het vervangende bedrijfsmiddel, waarna de boekwaarde (of som van de boekwaarden bij vervanging door meerdere bedrijfsmiddelen) niet lager mag zijn dan die van het oude bedrijfsmiddel. Een pro rata-afboeking op de restwaarde van het vervangende bedrijfsmiddel is niet mogelijk. De afboeking vindt in principe plaats op de aanschafprijs van het eerste bedrijfsmiddel dat als vervangend kan worden aangemerkt.

3. Investeringsaftrek

Voor de investeringsaftrek zou het investeringsbedrag moeten worden verminderd met de herinvesteringsreserve. Op grond van een besluit van de staatssecretaris kan echter onder voorwaarden toch worden uitgegaan van het volledige bedrag.


naar boven

Dit document en meer vindt u in FiscaalTotaal:

  • Betrouwbare en actuele fiscale en financiële vakinformatie
  • Integraal inzicht in een groot aantal fiscale thema’s
  • Praktische ondersteuning bij uw dagelijkse werkzaamheden

    Lees verder over FiscaalTotaal


Gerelateerde nieuwsartikelen