Eindheffingen

Bron: Redactie FiscaalTotaal

Eindheffingen

Loonheffing is een verzamelnaam voor de heffing van loonbelasting en premie volksverzekeringen die in beginsel van de werknemer wordt geheven over zijn bruto loon. Deze reguliere vorm van loonheffing is een voorheffing op de inkomstenbelasting en is voor een werknemer verrekenbaar met de uiteindelijk verschuldigde inkomstenbelasting. Naast loonheffing in de vorm van voorheffing bestaat er een andere vorm van loonheffing, namelijk eindheffing. Eindheffing is de vorm van loonheffing die voor rekening van de werkgever komt. De werkgever is deze eindheffing verschuldigd over bepaalde loonbestanddelen en wordt niet ingehouden op het loon van de werknemer. Dergelijke loonbestanddelen worden ook wel aangeduid als eindheffingsbestanddelen. Er zijn verschillende vormen van eindheffingsbestanddelen. In dit themadossier worden enkele veel voorkomende vormen van eindheffing besproken, namelijk de eindheffing bij naheffingsaanslagen en de eindheffingen bij de excessieve vertrekvergoeding, de crisisheffing en de regeling voor vervroegde uittreding.

1. Eindheffing

Een eindheffingsbestanddeel behoort in beginsel niet tot het loon voor de werknemersverzekeringen. Eindheffing kan alleen worden toegepast voor de loonheffing en dus niet voor de werknemersverzekeringen en de Zorgverzekeringswet (Zvw). De werkgever hoeft dus geen premies voor de werknemersverzekeringen in te houden of af te dragen over loonbestanddelen waarop eindheffing is toegepast. De werkgever hoeft over eindheffingsbestanddelen ook geen werkgeversbijdrage Zvw en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw te betalen. Uitzondering op deze hoofdregel is de situatie waarin de eindheffing plaatsvindt via een naheffingsaanslag en de werkgever het betreffende loonbestanddeel niet zelf in de eindheffing had kunnen of moeten betrekken.

De geheven loonheffing bij de werkgever in de vorm van eindheffing is niet verrekenbaar met de door een werknemer verschuldigde inkomstenbelasting. Ook kan de bij wijze van eindheffing geheven loonheffing niet met het loon van de werknemer worden verrekend.

1.1 Naheffingsaanslag

Als over een bepaald loonbestanddeel door de werkgever geen loonheffing is betaald, zal in beginsel een naheffingsaanslag ter zake van dat loonbestanddeel worden opgelegd aan de werkgever. Doorgaans wordt nageheven door middel van een eindheffing. De werkgever moet dan de over het betreffende loonbestanddeel verschuldigde loonheffing betalen. Bij naheffingsaanslagen geldt de hoofdregel dat zo’n naheffingsaanslag wordt opgelegd tegen het gebruteerde tarief. Dat gebruteerde (eindloonheffings)tarief bedraagt maximaal 108,3%. In afwijking van deze hoofdregel geldt dat in voorkomende gevallen een enkelvoudige naheffingsaanslag kan worden opgelegd.

Als bij de werkgever door middel van een eindheffing wordt nageheven op basis van het gebruteerde eindheffingstarief, geldt het volgende. In zo’n geval wordt aangenomen dat de werkgever de loonheffing voor zijn rekening heeft genomen, waardoor aan een desbetreffend loonbestanddeel een netto-karakter kan worden ontleend. Bij het bruteren van eindloonheffingsbestanddelen zijn twee soorten van brutering te onderscheiden, namelijk een directe en indirecte brutering.

1.2 Directe brutering

Bij het direct bruteren van een eindheffingsbestanddeel wordt door de werkgever afgezien van de optie om de belasting te verhalen op de werknemer. De niet ingehouden loonheffing maakt deel uit van de heffingsgrondslag. Het netto loonbestanddeel zou dan gebruteerd moeten worden en daaruit volgt dan het na te heffen bedrag. Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als de werknemer een vergoeding of verstrekking heeft ontvangen waarvan de Belastingdienst achteraf constateert dat deze niet is vrijgesteld. Hierbij moet dan uit de afspraken tussen werkgever en werknemer blijken dat deze vergoeding of verstrekking netto bedoeld is. In zo’n geval wordt de naheffingsaanslag berekend naar een gebruteerd loon.

Hierop is het (gebruteerde) tabeltarief van toepassing. Het tabeltarief is een gebruteerde vorm van het enkelvoudige tarief. Dat wil zeggen dat in de tabel het effect is verwerkt dat de werkgever de loonheffing voor zijn rekening neemt. Directe brutering is dus simpelweg het toepassen van het tabeltarief op het netto bestanddeel bij naheffing.

1.3 Indirecte brutering

Indirecte brutering komt aan de orde in een situatie waarin het besluit om af te zien van verhaal op de werknemer door de werkgever op een later moment wordt genomen. Ziet de werkgever in een later tijdvak af van verhaal op de werknemer, dan wordt de naheffing berekend naar het loon waarop loonheffing had moeten worden ingehouden. Hierdoor wordt het voordeel dat is genoten door de werknemer alsnog in de loonheffing betrokken.

Als blijkt dat de werkgever de loonheffing niet al bij uitbetaling van het loon, maar pas later voor zijn rekening heeft willen nemen (door afzien in een later tijdvak), vindt de eindheffing in twee stappen plaats. Eerst wordt het enkelvoudige tarief toegepast op het (bruto)loonbestanddeel. Vervolgens wordt op het gevonden bedrag het (gebruteerde) tabeltarief toegepast.

2. Pseudo-eindheffingen

Naast de ‘echte’ eindheffingen bestaat een aantal pseudo-eindheffingen. Deze eindheffingen zijn bovenop de inhouding van de reguliere loonheffing op een loonbestanddeel van een werknemer, door de werkgever verschuldigd. Deze vorm van eindheffing wijkt dus af van dat bij de echte eindheffing die in de plaats komt van de inhouding van de reguliere loonheffing.

Er zijn op dit moment twee vormen van pseudo-eindheffingen:

  • de pseudo-eindheffing voor regelingen voor vervroegde uittreding (RVU);
  • de pseudo-eindheffing voor excessieve ontslag- of vertrekvergoedingen.

Als een werkgever voor werknemers een RVU treft, is de werkgever een eindheffing van 52% verschuldigd. Een werkgever die aan een werknemer die uit dienst treedt een excessieve ontslag- of vertrekvergoeding toekent is 75% eindheffing verschuldigd over het excessieve deel van die vertrekvergoeding.

In de jaren 2013 en 2014 was een werkgever een pseudo-eindheffing van 16% verschuldigd voor zover het over het voorafgaande jaar (2012 respectievelijk 2013) aan een werknemer toegekende loon uit tegenwoordige dienstbetrekking meer bedroeg dan € 150.000 per kalenderjaar. Deze eindheffing werd ook wel de crisisheffing genoemd.

2.1. Eindheffing bij regeling voor vervroegd uittreden (RVU)

Een RVU is een regeling die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel heeft voorafgaand aan het ingaan van uitkeringen ingevolge een pensioenregeling of de AOW te voorzien in een of meer uitkeringen of verstrekkingen ter overbrugging van de perioden tot het ingaan van het pensioen of de AOW-uitkering. Over de uitkeringen die voortvloeien uit een RVU hoeven geen premies werknemersverzekeringen te worden betaald omdat de uitkeringen worden aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking.

Onder de RVU-definitie vallen in eerste instantie de echte VUT-regelingen (vervroegde uittreding), maar daaronder kunnen ook verkapte VUT-regelingen vallen, zoals een ontslaguitkering. Dit is het geval als een werknemer een ontslagvergoeding ontvangt die als overbrugging tot de pensioengerechtigde leeftijd zou kunnen dienen. Een als RVu aan te merken ontslagvergoeding is niet alleen aan de reguliere inhouding van loonheffing onderworpen, maar ter zake van die ontslagvergoeding is de werkgever ook een pseudo-eindheffing verschuldigd. Het pseudo-eindheffingspercentage over de ontslagvergoeding bedraagt 52%.

Niet iedere ontslagvergoeding wordt getroffen met de eindheffing van 52%. In de volgende situaties wordt een ontslagvergoeding in het algemeen niet aangemerkt als een RVU:

  • bij een regulier ontslag wegens disfunctioneren;
  • bij een ontslag als gevolg van onenigheid over het te voeren beleid of onverenigbaarheid van karakters;
  • als de arbeidsovereenkomst tussen een werknemer en zijn werkgever wordt ontbonden wegens verstoring van de arbeidsrelatie.

Om te beoordelen of er sprake is van een RVU moet een tweetal toetsen worden gedaan, de kwalitatieve en de kwantitatieve toets. In een tweetal beleidsbesluiten van de staatssecretaris van Financiën zijn praktische richtlijnen gegeven om te beoordelen of er al dan niet sprake is van een RVU waarop de pseudo-eindheffing van toepassing is. Het gaat om:

1. het besluit van 26 mei 2005, nr. DGB2005/3299M en;

2. het besluit van 8 december 2005, nr. DGB2005/6722M).

Bij de beoordeling of er sprake is van een RVU moet allereerst het besluit onder punt 2 worden geraadpleegd. Dit besluit geeft aan dat wanneer er gelet op de reden van toekenning (kwalitatieve toets) in elk geval géén sprake is van een RVU. Bij de meeste ontslagregelingen zal deze kwalitatieve toets voldoende zijn en hoeft verdere toetsing niet meer plaats te vinden. Als daarentegen niet aan de kwalitatieve toets wordt voldaan, kan op grond van het besluit onder punt 1 nog worden nagegaan of men op grond van de kwantitatieve toets alsnog buiten de reikwijdte van de RVU-definitie valt.

Een afvloeiingsregeling kan door een werkgever altijd ter toetsing worden voorgelegd aan de Belastingdienst. Dan kan uitsluitsel worden verkregen of er al dan niet sprake is van een RVU. De bewijslast of er sprake is van een RVU ligt bij de Belastingdienst.

2.2. Eindheffing over excessieve vertrekvergoedingen

Als de dienstbetrekking met een werknemer wordt beëindigd en deze werknemer een ontslag- c.q. vertrekvergoeding ontvangt én op jaarbasis een loon (toetsloon) heeft van meer dan € 540.000 (bedrag 2017), dan zal de werkgever c.q. inhoudingsplichtige moeten vaststellen of hij een pseudo-eindheffing van 75% verschuldigd is.

Door de werkgever is in voorkomende gevallen alleen over het ‘excessieve’ deel van een ontslagvergoeding een extra loonheffing van 75% verschuldigd naast de reguliere loonheffing die daarover verschuldigd is.

De pseudo-eindheffing van 75% is dus in beginsel pas verschuldigd voor zover de ontvangen vertrekvergoeding meer bedraagt dan een bepaald wettelijk toetsloon. Dit laatste is het ‘excessieve’ deel van de vertrekvergoeding. Als het toetsloon onder een bepaald wettelijk drempelbedrag blijft, is helemaal geen pseudo-eindheffing verschuldigd. Dat is voor 2017 het geval als het toetsloon niet meer bedraagt dan € 540.000.

Op het moment dat een dienstbetrekking met een werknemer eindigt en hij een ontslagvergoeding krijgt toegekend, moet een werkgever vaststellen of er sprake is van een excessieve vertrekvergoeding. Om dit vast te kunnen stellen, wordt een bepaald (jaar)loon als uitgangspunt genomen voor die vaststelling c.q. toets. Dit wordt ook wel het toetsloon genoemd. Welk (jaar)loon als toetsloon geldt is mede-afhankelijk van het jaar waarin de dienstbetrekking is aangevangen (vergelijkingsjaar).

2.3. Crisisheffing

In 2013 werd de zogenoemde crisisheffing geïntroduceerd. Dit was een maatregel om financiële crisis tegen te gaan en was ook bedoeld om werkgevers van personen met een hoger inkomen te laten bijdragen aan de oplossing van de destijds spelende begrotingsproblematiek. Bij de crisisheffing ging het om een pseudo-eindheffing van 16% over het loon van werknemers uit dienstbetrekking boven een bedrag van € 150.000 per kalenderjaar. De crisisheffing komt voor rekening van de werkgever.

De crisisheffing was aanvankelijk voor een jaar bedoeld. Echter, een van de in 2014 door het kabinet getroffen bezuinigingsmaatregelen was om de crisisheffing met een jaar te verlengen. Dit betekende dat werkgever in voorkomende gevallen ook in 2014 16%-crisisheffing verschuldigd waren.

In 2015 is de crisisheffing komen te vervallen, maar komt in dit themadossier aan de orde vanwege nog lopende rechtszaken. In 2013 is namelijk massaal bezwaar gemaakt tegen de crisisheffing omdat de heffing in strijd zou zijn met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Inmiddels is er al aardig wat jurisprudentie verschenen over de crisisheffing. Het hoogste rechtscollege van Nederland is van oordeel dat de crisisheffing niet in strijd is met het wettelijk systeem en evenmin met artikel 26 IVBPR. De crisisheffing is geen individuele en buitensporige last.


naar boven

Dit document en meer vindt u in FiscaalTotaal:

  • Betrouwbare en actuele fiscale en financiële vakinformatie
  • Integraal inzicht in een groot aantal fiscale thema’s
  • Praktische ondersteuning bij uw dagelijkse werkzaamheden

    Lees verder over FiscaalTotaal


Gerelateerde nieuwsartikelen