Btw-plicht en ondernemerschap

Bron: Redactie FiscaalTotaal

Btw-plicht en ondernemerschap

In dit document wordt besproken wanneer iemand voor de btw als btw-ondernemer kan worden aangemerkt. In artikel 7 van de Wet OB 1968 staan de criteria genoemd waaraan moet worden voldaan, wil men als een btw-ondernemer worden aangemerkt. In dit wetsartikel staat: ‘‘ondernemer is een ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent’’. In lid 2 van artikel 7 Wet OB 1968 staat vervolgens dat hieronder mede een beroep wordt verstaan. Ook de exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen kan btw-ondernemerschap opleveren.

Ondernemerschap

Ondernemerschap voor de btw is niet afhankelijk van de rechtsvorm of de vestigingsplaats van degene die leveringen of diensten verricht. Bovendien is ook niet van belang of iemand winst wil maken of maakt. Het ondernemersbegrip in de omzetbelasting is erg ruim. Hierdoor kan in principe iedereen met de heffing van omzetbelasting te maken krijgen.

Aanloopverliezen

Het ondernemerschap begint zodra de eerste kosten worden gemaakt die kunnen worden toegerekend aan de uiteindelijke onderneming. De toerekening aan de onderneming moet voor het claimen van btw-aftrek objectief kunnen worden onderbouwd én op het moment van het maken van de kosten moet redelijkerwijs kunnen worden verwacht dat de onderneming tot stand kan komen. Het reële vooruitzicht op deelname aan het economische verkeer is voor de btw voldoende.

De periode waarover nog aftrek mogelijk is, is (anders dan voor de IB) niet vastgelegd maar de start van de onderneming moet wel zo snel mogelijk zijn gemeld. Dat de onderneming pas later wordt geaccepteerd en geregistreerd door de inspecteur is op zich niet van belang. Hoe verder de periode waarin de kosten zijn gemaakt echter is verwijderd van de melding van de start van de onderneming, hoe lastiger de aftrek zal worden geaccepteerd.

Begrip ‘‘ieder’’

Het begrip ‘‘ieder’’ betreft niet alleen de natuurlijke en rechtspersonen, maar ook maatschappen, vennootschappen onder firma, verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid (samenwerkingsverbanden) kunnen als een ieder voor de btw worden aangemerkt. Als een samenwerkingsverband in het economisch verkeer als een eenheid optreedt, dan kan het voor de omzetbelasting ondernemer zijn. Daarbij is de rechtsvorm niet van belang.

Ook in het buitenland gevestigde personen kunnen voor de omzetbelasting als ondernemer worden aangemerkt. Het begrip ieder werkt namelijk wereldwijd. Als een ondernemer beschikt over een vaste inrichting in een ander land zonder dat die vaste inrichting eigen rechtspersoonlijkheid heeft, dan is die vaste inrichting geen afzonderlijke ondernemer.

Begrip ‘‘bedrijf’’

Het begrip ‘‘bedrijf’’ houdt in dat sprake moet zijn van deelname aan het economische verkeer. Onder bedrijf wordt ook zelfstandig beroep begrepen (advocaten en belastingadviseurs). Een bedrijf is een organisatie van kapitaal en arbeid die erop is gericht om in een duurzaam streven door deelneming aan het economisch verkeer behoeften te bevredigen. In de Btw-richtlijn wordt niet gesproken van een bedrijf, maar van een economische activiteit. Artikel 7 Wet OB 1968 moet echter richtlijnconform worden uitgelegd. Dit betekent dat aan het begrip bedrijf geen andere betekenis toekomt dan aan het begrip economische activiteit. Volgens de Btw-richtlijn vallen de werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter onder het begrip economische activiteit. Daarbij is het oogmerk of het resultaat van de werkzaamheden niet van belang. Het maken of het beogen van winst is dus niet van belang om van een bedrijf te kunnen spreken. Echter, in tegenstelling tot winst is er wel een gerichtheid op opbrengst vereist. Prestaties moeten namelijk tegen vergoeding verricht worden. Er is geen sprake van een economische activiteit als niet tegen vergoeding wordt gepresteerd en uit objectieve omstandigheden ook geen voornemen daartoe blijkt.

Ook voorbereidende handelingen moeten als economische activiteiten worden gezien als de intentie aanwezig is om regelmatig in het economisch verkeer te gaan presteren. Tevens kan een activiteit die incidenteel is van karakter als een economische activiteit worden aangemerkt. Als iemand namelijk al ondernemer is voor de btw en een incidentele economische activiteit zelfstandig verricht, dan verricht hij die handeling ook in de hoedanigheid van btw-ondernemer. Echter, wil men ondernemer worden, dan moet er meer dan alleen een economisch activiteit met een incidenteel karakter worden verricht.

Ook de exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen valt onder het begrip ‘‘bedrijf’’. Als iemand zelfstandig een vermogensbestanddeel exploiteert, dan is diegene ondernemer voor de btw. Onder vermogensbestanddeel kan een goed of een recht worden verstaan. Het begrip exploitatie heeft betrekking op alle handelingen ongeacht hun rechtsvorm die ervoor bedoeld zijn om uit het betrokken vermogensbestanddeel duurzaam opbrengst te verkrijgen. Voorbeelden hiervan zijn:

– De verhuur van roerende en onroerende zaken;
– De verhuur van vakantiehuisjes;
– Het verlenen van licentie- en auteursrechten;
– Het vestigen van een recht van erfpacht of opstal op een onroerende zaak.

Het bezitten van een vermogensbestanddeel waaruit opbrengsten worden verkregen, betekent in beginsel niet dat er sprake is van btw-ondernemerschap. De exploitatie moet namelijk een economische activiteit zijn. Bijvoorbeeld particuliere investeerders worden niet als ondernemer beschouwd voor het houden van aandelen en obligaties.

Deelname aan het economisch verkeer

Om als btw-ondernemer te worden aangemerkt, moet men ook voldoen aan het vereiste ‘‘deelneming aan het economisch verkeer’’. Dit vereiste sluit degene die prestaties verricht voor eigen gebruik of in besloten kring, uit van het ondernemerschap. De activiteiten moeten beschikken over een economisch aspect.

Er is niet snel sprake van een eigen of besloten kring. Als een BV prestaties verricht aan een nauw gelieerde BV, dan neemt deze deel aan het economisch verkeer. Ook kan van een economische activiteit worden gesproken als tussen beide BV´s aanvankelijk een fiscale eenheid bestond. Als de fiscale eenheid eenmaal verbroken is, dan nemen beide BV’s volgens de rechter deel aan het economisch verkeer als zij onderling prestaties verrichten. Over die prestaties moet btw worden betaald.

Begrip ‘‘zelfstandigheid’’

Ondernemer is alleen degene die zelfstandig leveringen en diensten verricht. Het begrip ‘‘zelfstandigheid’’ sluit loontrekkenden en andere personen, voor zover zij een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan of enig andere juridische band hebben van waaruit een verhouding ondergeschiktheid ontstaat ten aanzien van de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden en verantwoordelijkheid van de werkgever, uit van de belastingheffing.

Als werkzaamheden dus in loondienst worden verricht, kan niet worden gesproken van btw-ondernemerschap. Uit de Europese jurisprudentie blijkt dat een dga geen ondernemer is voor alle werkzaamheden die hij verricht ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst die hem aan zijn eigen BV bindt.

Indien iemand voor zijn in loondienst verrichte werkzaamheden geen ondernemer is, maar ernaast wel nog andere activiteiten verricht, dan kan hij daarvoor wel ondernemer zijn.

Verschil met IB-ondernemerschap

Wat is nu het verschil tussen IB-ondernemerschap en btw-ondernemerschap? Voor btw-ondernemerschap is vereist dat er zelfstandig wordt deelgenomen (anders dan incidenteel en/of in besloten kring) aan het economische verkeer met als doel goederen en/of diensten te verhandelen. Indien een particulier dus een winkelpand belast met btw verhuurt, dan is er sprake van btw-ondernemerschap, ondanks dat het pand voor de verhuurder (vaak) in box 3 van de IB aangifte valt. Dus dan is sprake van btw-ondernemerschap, maar niet van IB-ondernemerschap.

IB-ondernemerschap
Voor IB-ondernemerschap is vereist dat sprake moet zijn van deelname (anders dan incidenteel en/of in besloten kring) aan het economisch verkeer met een duurzame organisatie van kapitaal en/of arbeid met als doel het verhandelen van diensten en/of goederen waarbij winst beoogd wordt en ook redelijkerwijs te verwachten is. Hierbij zijn nog aanvullende objectieve criteria ontstaan. Zo moet een ondernemer gerechtigd zijn tot het vermogen van de onderneming en moet het (debiteuren)risico van het ondernemen voor zijn/haar rekening komen. Daarnaast zijn ook uiterlijke kenmerken van groot belang. Hierbij kan worden gedacht aan een KvK-inschrijving, een werkruimte, maar ook het aantal opdrachtgevers en de omvang van de te verwachten winst.

Ook het starten van een (naar uiterlijke kenmerken) onderneming, die na 4 jaar nog steeds niet winstgevend is (en ook niet zal worden) is vaak geen IB-onderneming.

Uit het bovenstaande blijkt al snel dat men eerder een btw-ondernemer kan zijn dan een IB-ondernemer. Beseft moet worden dat er een wezenlijk onderscheid is tussen beide ondernemingsvormen. Maar vaak is ook sprake van samenloop. De meeste IB-ondernemers zijn ook btw-ondernemer. Echter, omgekeerd is dit niet altijd het geval. Een voorbeeld hiervan is de auto die voor de btw zakelijk kan zijn en voor de IB privé. Als een ondernemer een auto koopt in privé (niet op balans van de onderneming dus) en deze ook zakelijk gebruikt, dan wordt vaak 19 cent per zakelijke kilometer in mindering gebracht op de IB winst. Vaak redeneren ondernemers door dat diezelfde auto voor de btw dan ook privé is. Dat is niet het geval. Een IB-niet-zakelijke auto kan voor de btw wel degelijk zakelijk zijn. Vaak is 75% van de btw op alle autokosten aftrekbaar als voorbelasting, ook al is die auto privé gekocht.

Kortom:
– Een btw-onderneming is niet per se een IB-onderneming en soms omgekeerd;
– IB-privébestanddelen kunnen voor de btw zakelijk zijn en soms ook omgekeerd.

Men moet zich er bewust van zijn dat er een verschil bestaat tussen btw en IB en dat beide wetgevingen naast elkaar bestaan en niet eenzelfde uitwerking hebben.

Holding

Een holding kan ook ondernemer zijn voor de btw. Wanneer dit het geval is, is niet makkelijk te beantwoorden. Indien houdstermaatschappijen zich alleen maar bezig houden met het houden van aandelen en de daarmee samenhangende activiteiten (zoals dividenden), dan kunnen de houdstermaatschappijen niet als btw-ondernemers worden aangemerkt. Dit worden ook wel de zuivere holdings genoemd. Zij verrichten geen economische activiteit omdat geen vergoeding voor de activiteiten wordt ontvangen.

Als een zuivere holding direct of indirect ‘‘moeit’’ in het beheer van de vennootschappen waarin wordt deelgenomen, dan is het alsnog nog geen economische activiteit en dus geen btw-ondernemerschap, tenzij het ‘‘moeien’’ gepaard gaat met handelingen die aan btw zijn onderworpen. Hierbij kan gedacht worden aan het verrichten van bijvoorbeeld administratieve, financiële, commerciële en technische diensten door de holding ten behoeve van haar dochterondernemingen die tegen vergoeding plaatsvinden. In het voorgaande geval wordt de holding wel als een btw-ondernemer aangemerkt.

Wat er precies wordt bedoeld met ‘‘moeien’’ is nog niet duidelijk gemaakt door het Hof van Justitie EU. Volgens de Hoge Raad betekent ‘‘moeien’’ het zich bezighouden met het beleid dat wordt uitgevoerd door de ondernemingen van de deelnemingen.


naar boven

Dit document en meer vindt u in FiscaalTotaal:

  • Betrouwbare en actuele fiscale en financiële vakinformatie
  • Integraal inzicht in een groot aantal fiscale thema’s
  • Praktische ondersteuning bij uw dagelijkse werkzaamheden

    Lees verder over FiscaalTotaal