Beleggen in BV of in privé: dividenduitkering

Bron: Redactie FiscaalTotaal

Beleggen in BV of in privé

Als een dga in een holding of een beleggings-BV voor de lange termijn vrij belegbaar, vrij uitkeerbaar en ook niet door pensioenverplichtingen e.d. gebonden vermogen tot zijn beschikking heeft, dan kan de dga in de BV beleggen of het vermogen naar privé halen en verder in privé beleggen. De winst die door middel van beleggen in BV en beleggen in privé wordt behaald, wordt fiscaal verschillend behandeld. Bij dezelfde belegging wijken namelijk de nettorendementen binnen de BV dan wel in privé van elkaar af. Daarom is het van belang om goed na te denken bij het maken van een keuze.

Beleggen in privé

De keuze tussen het beleggen in BV of in privé (na een dividenduitkering) hangt af van het verschil in belastingdruk op het rendement. Daarbij staat de volgende vraag centraal: welk alternatief levert het hoogste netto-rendement op?

Als de dga in privé wil beleggen, dan moet de eigen BV eerst dividend uitkeren. Uitgaande van een aanmerkelijk belang (ab), wordt de dividenduitkering in box 2 met 25% belast. Nadeel hiervan is dat het te beleggen vermogen met een vierde afneemt. Het rendement dat behaald wordt met de beleggingsportefeuille wordt in box 3 belast met een vermogensrendementsheffing tegen het tarief van 1,2%. Dit betekent dat het belastbaar inkomen uit vermogen forfaitair op 4% vastgesteld wordt. Er wordt dus niet gekeken naar de daadwerkelijk behaalde winst. Omdat het forfaitaire rendement belast wordt tegen 30%, wordt de uiteindelijke belastingdruk 1,2%. De 1,2% wordt over de bezittingen minus de schulden per 1 januari geheven.

Vanaf 2017 is de berekening verandert van de belasting die betaald moet worden over het eigen vermogen. Er zijn drie vermogensschijven. Kortgezegd komt het er op neer dat meer voordeel is behaald over het vermogen als dat vermogen groter is. Bij iedere volgende vermogensschijf wordt daarom een hoger percentage gebruikt om dat voordeel te berekenen.

Beleggen in BV

Het rendement dat behaald wordt door te beleggen in een eigen vennootschap wordt met vennootschapsbelasting belast. Het tarief van de vennootschapsbelasting is 20% over de winst tot 200.000 euro en 25% over het meerdere. In 2018 wordt het tarief gewijzigd naar 20% over het resultaat tot € 250.000. Vervolgens wordt dit bedrag geleidelijk naar €350.000 doorgetrokken in 2021. Dividend en rente worden bij de BV direct belast. Vermogensgroei wordt echter belast wanneer de BV de beleggingen verkoopt en de winst realiseert. Daarnaast wordt het netto-rendement ook met 25% belast bij de dga in box 2. Dit is zowel het geval bij een dividenduitkering als bij verkoop van de aandelen in de eigen vennootschap. Zodoende wordt er dus cumulatief 43,75% belasting geheven over de gerealiseerde winst (25% Vpb + 25% x (100% -/- 25%) aanmerkelijkbelangheffing).

Een aandachtspunt is dat er sinds 1 oktober 2012 (beter) moet worden getoetst of een dividenduitkering wel mogelijk is gezien de financiële situatie van de BV en de lopende verplichtingen.

Wat is voordeliger?

Met de volgende formule kan er een afweging worden gemaakt om te beleggen in BV of in privé.

Beleggen in BV = Beleggen in privé

Rendement x (100% -/- 43,75%) = (100% -/- 25%) x (Rendement -/- 1,2%)

Rendement = ongeveer 4,8%

Hieronder zal aan de hand van twee voorbeelden uitgewerkt worden wanneer het handiger is om te beleggen in BV dan wel in privé.

Voorbeeld 1

Meneer X houdt alle aandelen in X BV. De aandelen van de X BV worden verkocht. Hierdoor heeft meneer X 1.000.000 euro die hij kan beleggen. Meneer X wil weten of het voor hem handiger is om te beleggen in BV of in privé. Indien meneer X belegt in obligaties en van een gemiddeld rendement van 3,8% en een Vpb-tarief van 20% uitgaat, dan is de beleggingsopbrengst na de heffing van Vpb 30.400 euro. Indien meneer X ervoor kiest om dit bedrag naar privé uit te keren, dan houdt hij netto 22.800 euro over.

Indien meneer X er echter voor kiest om die 1.000.000 euro naar privé over te maken en dan in obligaties te beleggen, dan moet hij met een startkapitaal van 750.000 euro beginnen. Hij moet namelijk eerst 25% aan belasting betalen over die 1.000.000 euro uitgekeerde dividend. Dit betekent dat meneer X van de belegging in box 3 na betaling van de box 3-heffing 19.500 euro overhoudt.

Voorbeeld 2

Indien meneer X in aandelen gaat beleggen en van een gemiddeld rendement van 7% en een Vpb-tarief van 20% uitgaat, dan is de beleggingsopbrengst na Vpb 56.000 euro. Indien hij dit bedrag vervolgens naar privé laat uitkeren, houdt hij 42.000 euro netto over.

Als meneer X er echter voor kiest om die 1 miljoen naar privé over te maken en dan te gaan beleggen in aandelen, dan zal hij met een startkapitaal van 750.000 euro starten. Hij moet namelijk eerst 25% aanmerkelijkbelangheffing (ab-heffing) betalen over het uitgekeerde dividend. Na de box 3-heffing zal meneer X 43.500 euro overhouden.

Uit het bovenstaande kan worden opgemaakt dat als een dga in producten met een laag risicoprofiel en een laag rendement belegt, hij/zij beter in de BV kan beleggen dan in privé. Als de dga in producten met een hoog risicoprofiel en een hoog rendement wil beleggen, dan is hij beter af als hij zijn vermogen in privé belegt. Als het verwachte bruto-rendement hoger is dan 4,8%, dan is beleggen in privé (na een dividenduitkering) beter. Als het verwachte rendement lager is, dan kan beter in de vennootschap worden belegd. Op basis van cijfers in het verleden is het alleen nuttig om liquiditeiten in de eigen BV aan te houden. Voor andere beleggingen zoals aandelen, obligaties en vastgoed is het beter om in privé te beleggen. In de bovenstaande formule wordt ervanuit gegaan dat bij belegging in de eigen vennootschap de Vpb en aanmerkelijkbelangheffing gelijk wordt geheven. Dit is in de praktijk echter niet altijd het geval. In de praktijk is het daarom beter om van de contante waarde van de toekomstige belastingdruk uit te gaan. Of de lagere contante waarde van de belastingclaim tegen het netto-rendement in privé opweegt, is afhankelijk van de soort beleggingen en de koers. Daarbij moet rekening worden gehouden met het feit dat koersverliezen in de BV aftrekbaar zijn (tot de verkrijgingsprijs) en in privé niet.

Opheffing BV

Als een BV alleen beschikt over beleggingen en liquide middelen, kan in plaats van een dividenduitkering ervoor worden gekozen om de aandelen van de BV te verkopen of te liquideren. De fiscale gevolgen blijven dan hetzelfde, namelijk: de verkoopwinst en de liquidatie-uitkering boven de oorspronkelijke verkrijgingsprijs van de aandelen wordt tegen 25% belast. Naast een jaarlijkse kostenbesparing (jaarrekening en belastingaangifte) heeft verkoop als voordeel dat een eenvoudige vermogensstructuur kan worden gecreëerd; al het vermogen bevindt zich dan immers in privé. Als de BV echter een pensioen- of stamrechtverplichting heeft, dan kunnen de aandelen niet zomaar worden verkocht of geliquideerd. Deze verplichting moet dan voorafgaand aan de verkoop of liquidatie overgeheveld worden naar een andere BV of afgestort worden bij een professionele verzekeringsmaatschappij.

Beleggen met een lening van de BV

Het nadeel van een dividenduitkering is dat de dga moet afrekenen over de latente aanmerkelijkbelangclaim (ab-claim). Daardoor wordt het belegbaar vermogen met een vierde minder. Om dit te voorkomen, kan de BV een geldlening aan de dga in privé verstrekken. Met deze lening kan de dga dan in privé gaan beleggen. De beleggingen en de schuld aan de BV behoren dan tot het box 3-vermogen. Over het netto box 3-vermogen is de dga dan per saldo 1,2% belasting verschuldigd. De betaalde rente aan de eigen BV is dan niet aftrekbaar in box 3.

Bij het verstrekken van de lening moet er een zakelijk rentepercentage worden afgesproken. Vooral als het om hoge bedragen gaat moet bekeken worden of de dga deze lening ook van een onafhankelijke instelling had kunnen krijgen. Er moet dus een marktconforme rente afgesproken worden. Als de betaalde rente echter lager is dan de marktconforme rente, zou gesteld kunnen worden dat de dga door de eigen BV bevoordeeld wordt. Het verschil in rente wordt dan als een verkapte dividenduitkering gezien. Dit wordt dan in box 2 tegen 25% belast. Deze verkapte dividenduitkering is niet aftrekbaar bij de BV. Als de rente daarentegen hoger is dan de marktconforme rente, kan gesteld worden dat de dga aan de eigen BV kapitaal verstrekt. Een niet-marktconforme rente kan worden gecompenseerd door bijzondere omstandigheden of voorwaarden, zoals het stellen van verdere zekerheden.

Tbs-regeling
In een arrest van de Hoge Raad was er sprake van een dga die geld had geleend van zijn BV. Dit geld had hij op zijn internetspaarrekeningen gezet, waarvoor hij een gemiddelde rente van 3,6% ontving. Voor het geleende geld betaalde hij een zakelijke rente van 2,5%. Hierdoor behaalde hij een voordeel van 10.600 euro. Volgens de Hoge Raad kon het behaalde voordeel onbelast blijven aangezien het uitzetten van gelden op een spaarrekening niet verder gaat dan normaal actief vermogensbeheer. Daarbij is niet van belang dat de gestorte bedragen geleend zijn.

Beleggen via vrijgestelde beleggingsinstelling

Een dga kan er ook voor kiezen om te beleggen in een vrijgestelde beleggingsinstelling (VBI). Een VBI betaalt namelijk geen Vpb over de behaalde resultaten. Dividenduitkeringen worden bij de dga wel belast in box 2 tegen 25% inkomstenbelasting. De VBI is in eerste instantie in het leven geroepen voor grote beleggingsfondsen. Een VBI dient ter collectieve belegging. Dit betekent dat de dga niet alle aandelen van een VBI mag houden. Een dga mag een belang hebben van maximaal 90%.

Daarnaast mag een VBI alleen beleggen in aandelen, obligaties en futures. Ook mag een VBI spaartegoeden aanhouden. Het aanhouden van een bedrijfspand, onderneming of het verstrekken van een lening aan de aandeelhouders is dus niet toegestaan. Verder kan de VBI geen pensioen- of stamrechtverplichting in eigen beheer aanhouden. Er moet wel gelet worden op het feit dat op de aandelen van een VBI een forfaitair rendementsregeling in box 2 van toepassing is. Dit betekent dat jaarlijks een forfaitair rendement van 4% wordt geheven, dan tegen 25% wordt belast. Hiermee wordt de verkrijgingsprijs van het ab verhoogd.


naar boven

Dit document en meer vindt u in FiscaalTotaal:

  • Betrouwbare en actuele fiscale en financiële vakinformatie
  • Integraal inzicht in een groot aantal fiscale thema’s
  • Praktische ondersteuning bij uw dagelijkse werkzaamheden

    Lees verder over FiscaalTotaal


Gerelateerde nieuwsartikelen