Vpb-plicht overheidsondernemingen: hoe zit het?

 

Per 1 januari 2016 moet de vennootschapsbelastingplicht van overheidsbedrijven een feit zijn. Al in februari 1997 werd in het rapport van werkgroep-Cohen gewezen op de oneigenlijke concurrentievoordelen van overheidsondernemingen. Hoe is de Vpb-plicht van overheidsondernemingen in een stroomversnelling geraakt en wat staat ons de komende tijd te wachten?

Van rapport-Cohen tot brief Europese Commissie
Het rapport-Cohen pleitte in 1997 al voor een strikte scheiding tussen de overheid en de markt. Er was in toenemende mate sprake van overheidsondernemingen die in concurrentie traden met private ondernemingen. De aanbeveling van de werkgroep ging best ver. Zo oordeelde de werkgroep dat voorkomen beter is dan genezen en dat daarom commerciële nevenactiviteiten afgestoten dienden te worden. Daarna zijn er van tijd tot tijd artikelen geschreven over deze problematiek, zijn Kamervragen gesteld en antwoorden geproduceerd door verschillende staatssecretarissen totdat de Europese Commissie in een brief van 2 mei 2013 Nederland heel duidelijk verzocht om een eind te maken aan de selectieve belastingvrijstelling voor overheidsbedrijven. Joaquín Almunia, vicevoorzitter van de Europese Commissie, zette de Nederlandse regering (informeel) nog eens extra onder druk door te zeggen: ‘Willen we alle voordelen van de interne markt plukken, dan moet er ook eerlijke concurrentie zijn. Daarom moeten alle spelers op de markt met gelijke wapens kunnen strijden. Ik ben er zeker van dat Nederland zijn belastingwetten op dit punt zal aanpassen’. Drie weken later gaf het kabinet gehoor aan deze oproep en kondigde aan binnen anderhalf jaar met wetgeving te komen (brief nr. DB/2013/231M).

Het huidige systeem
Dat overheidsondernemingen die economische activiteiten uitoefenen op dezelfde wijze als private bedrijven aan vennootschapsbelasting onderworpen gaan worden (als het wetsvoorstel wordt aangenomen) is niet helemaal nieuw. Door overheidslichamen zelf gedreven ondernemingen (directe overheidsbedrijven) zijn slechts belastingplichtig als zij een van de volgende bedrijven uitoefenen: landbouwbedrijf, nijverheidsbedrijf (waaronder energiebedrijven), mijnbouwbedrijf, handelsbedrijf, vervoersbedrijf of een bouwkas. Volledig door overheidsorganen beheerste lichamen (indirecte overheidsbedrijven) zijn belastingplichtig als zij een van de hiervóór genoemde bedrijven uitoefenen of als zij bij naam zijn genoemd in de wet.

Wetsvoorstel modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen (34 003)
Er zijn twee belangrijke uitgangspunten die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming en vormgeving van de modernisering van de belastingplicht voor overheidsondernemingen. De uitganspunten worden in de memorie van toelichting opgesomd:
1. Het wetsvoorstel beoogt een gelijk speelveld te creëren op het gebied van de vennootschapsbelasting voor private ondernemingen en daarmee concurrerende overheidsondernemingen.
2. Voor de fiscale behandeling van overheidsondernemingen wordt materieel zo min mogelijk onderscheid gemaakt naar de wijze waarop deze (juridisch) zijn georganiseerd. In het verlengde hiervan moet de samenwerking tussen overheidslichamen zo min mogelijk fiscaal worden belemmerd.

De algemene uitganspunt bij de belastingplicht van directe en indirecte overheidslichamen wordt wel compleet overhoop gegooid met het nieuwe wetsvoorstel. Nu is de situatie dat overheidsondernemingen niet belastingplichtig zijn, tenzij bepaalde belaste activiteiten worden uitgeoefend en als het lichaam met naam is genoemd in de Wet Vpb. In het wetsvoorstel is het uitgangspunt juist dat overheidsondernemingen belastingplichtig zijn, tenzij er een vrijstelling geldt.

Er zijn algemene vrijstellingen en specifieke vrijstellingen in het conceptwetsvoorstel. Bij de algemene vrijstellingen gaat het om: een vrijstelling voor interne activiteiten (hoofdstuk 4.2.1 van de Memorie van Toelichting), een vrijstelling voor overheidstaken (4.2.2. MvT) en een vrijstelling voor samenwerkingsverbanden (4.2.3 MvT). Bij de specifieke vrijstellingen (hoofdstuk 5 MvT) gaat het om de volgende vrijstellingen: academische ziekenhuizen (5.1 MvT), bekostigd onderwijs en onderzoek (5.2 MvT) en zeehavenbeheerders (5.3 MvT). De vrijstelling voor een aantal met naam genoemde zeehavenbeheerders is tijdelijk, in afwachting van een grondig onderzoek naar de situatie in andere Europese landen. Volgens het kabinet kan nog niet gesproken worden over een gelijk speelveld voor havenondernemingen. Het meteen Vpb-plichtig maken hiervan zou tot een benadeling van de Nederlandse havenondernemingen kunnen leiden. Dit neemt niet weg dat de Europese Commissie dit een niet-wenselijke vorm van staatssteun vindt. Ook de Raad van State merkt op dat de noodzakelijke aandacht voor Europeesrechtelijke aspecten in het wetsvoorstel ontbreekt.

terug