Voorstel vereenvoudiging BTW-teruggaaf roept (onbedoeld?) vragen op

 

Terugvragen van onterecht berekende BTW is niet echt eenvoudig. Het ministerie van Financiën heeft nu in elk geval besloten de regeling voor oninbare vorderingen te versimpelen door een geheel nieuw artikel 29 Wet OB op te stellen. Zoals tegenwoordig gebruikelijk, is er een (op 14 augustus 2016 gesloten) internetconsultatie gehouden zodat belanghebbenden opmerkingen konden plaatsen.

BTW omzetbelasting

Uitgebreidere wettekst

Het valt meteen op dat de voorgestelde wettelijke regeling aanzienlijk uitgebreider is dan de huidige teruggaafregeling van artikel 29 Wet OB. Dat is op zich niet erg, vaak is er meer tekst nodig om iets te verduidelijken en goed uit te leggen. Daarbij komt dat een wetsbepaling er meestal niet op is gericht om een bepaalde situatie duidelijk af te grenzen, maar juist is bedoeld om zo veel mogelijk varianten onder dezelfde bepaling te laten vallen. De huidige BTW-teruggaafregeling is een heel goed voorbeeld hiervan en dermate ‘vaag’ dat er flink is, en wordt, geprocedeerd over het moment waarop teruggaaf mogelijk is. De inkomstenbelasting – en de vennootschapsbelasting door via artikel 8 Wet Vpb aan te sluiten bij het IB-winstbegrip – kent eenzelfde problematiek bij de kwijtscheldingswinstvrijstelling van artikel 3.13, lid 1, onderdeel a Wet IB 2001. In beide gevallen wordt dan ook grotendeels dezelfde toetsing uitgevoerd door de belastingrechter, en het voorstelde artikel 29, lid 3 Wet OB lijkt aan te willen sluiten bij de uitleg van de kwijtscheldingswinstvrijstelling. Het draait er allemaal om wanneer de ondernemer ervan uit kan gaan dat hij/zij niet (volledig) betaald zal worden.

Tegenstelling doel en strekking met letterlijke tekst

Aangezien de (on)inbaarheid van de vordering één van de knelpunten is van de huidige regeling, probeert het wetsvoorstel met name op dit punt meer duidelijkheid te geven. Deze goede bedoelingen zijn jammer genoeg onvoldoende in de voorgestelde wettekst tot uiting gekomen. De wettekst, die grotendeels overeenkomt met de (Nederlandse vertaling van) artikel 90 BTW-richtlijn, had naar onze mening ook taalkundig beter gekund (er moet nog ergens ‘overeenkomst’ of ‘prestatie’ in de eerste leden), wat de begrijpelijkheid niet ten goede komt.

De nieuwe bepaling voor de teruggaafregeling (tweede lid) bestaat goed beschouwd uit twee delen: ongeveer twee en een halve zin over het moment waarop het teruggaafrecht ontstaat en een éénjaarsfictie voor vaststelling van het teruggaafmoment. Wij hebben vooral onze bedenkingen bij het eerste deel, de uitleg van de fictie waarbij een verband wordt gelegd met de opeisbaarheid van de vergoeding lijkt ons voldoende duidelijk. Als je naar de letterlijke tekst van het eerste deel kijkt zonder enige voorkennis over het probleem dat de wetgever wil oplossen, kun je alleen maar concluderen dat er een objectieve toets moet plaatsvinden. De nieuwe bepaling komt dan feitelijk op hetzelfde neer als de huidige, alleen véél ruimer omschreven (twee en een halve zin in plaats van nog geen hele zin in het huidige artikel 29 Wet OB). De ruime jurisprudentie over het al dan niet kunnen innen van vorderingen geeft echter juist aanleiding voor het hanteren van een meer subjectieve toets. De Hoge Raad heeft onder meer in het arrest van 16 oktober 2009, nr. 08/00062, ECLI:NL:HR:2009:BK0274 aangegeven dat moet worden aangesloten bij het moment waarop de schuldeiser/ondernemer redelijkerwijs kan dan wel kon aannemen dat hij/zij nooit of slechts gedeeltelijk zou worden betaald voor de verrichte levering en/of dienst.

Verduidelijking nodig en strijdigheid met BTW-richtlijn

Het voorgestelde lid 5 bepaalt dat er bij het alsnog ontvangen van de vergoeding na de teruggaaf, BTW moet worden afgedragen over de vergoeding. De NOB merkt in zijn commentaar terecht op dat de letterlijke tekst suggereert dat er een verband moet zijn met de eerdere toepassing van de éénjaarsfictie én dat alleen het ontvangen van de volledige vergoeding tot een correctie leidt. Het lijkt ons dat beide ‘vereisten’ onbedoeld uit de tekst volgen en dat het alsnog moeten afdragen van BTW hier niet van afhankelijk is.

De NOB vraagt zich af of de correcties bij alsnog ontvangen van de vergoeding (lid 5) / alsnog betalen van de vergoeding (lid 8) niet kruisen met de BTW-richtlijn. Artikel 90 BTW-richtlijn biedt hier naar onze mening wel impliciet ruimte voor door de aan het einde van lid 1 opgenomen zinsnede (…) ‘onder de voorwaarden die door de lidstaten worden vastgesteld’ en lid 2: ‘in geval van gehele of gedeeltelijke niet-betaling kunnen de lidstaten van lid 1 afwijken’. Het voorgestelde lid 6 is echter wél ongelukkig vormgegeven en lijkt te veel op cessie om toelaatbaar te zijn onder de BTW-richtlijn.

Voorgestelde wettekst wordt alsnog verbeterd?

De manier waarop de nieuwe teruggaafregeling nu wordt omschreven lijkt onbedoelde foutjes te bevatten die naar wij mogen aannemen snel zullen worden rechtgetrokken. Voor de mogelijke strijdigheid van lid 6 met de BTW-richtlijn zal een oplossing moeten worden gevonden.

U kunt hyperlinks uit bovenstaand artikel alleen openen wanneer u een abonnement op de Kennisbank FiscaalTotaal heeft.

Bent u op zoek naar fiscale verdieping voor een betrouwbaar advies aan uw klant? Lees meer over FiscaalTotaal en vraag een demo aan!>

terug