Reparatiemaatregelen vennootschapsbelasting (Belastingplan 2018 en Overige Fiscale Maatregelen 2018) – deel 2: artikel 15ac Wet VpB

 

In de genoemde wetswijzigingen zijn reparatiemaatregelen in de vennootschapsbelasting opgenomen. Veelal naar aanleiding van jurisprudentie die niet in de lijn lag met de wensen van de wetgever. Het gaat om vier maatregelen, alsmede een aangekondigd wetsvoorstel. In een reeks van columns besteed ik aandacht aan deze wetgeving. De eerste column bespreekt de reparatiemaatregelen van artikel 10 Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Deze tweede column besteed aandacht aan artikel 15ac van die wet.

Artikel 15ac, lid 8 Wet op de vennootschapsbelasting 1969

Dit artikel is opgenomen in het kader van de Papillon fiscale eenheden en ziet op het voorkomen van dubbele verliesneming in de situatie van een fiscale eenheid waarbij de tussenmaatschappij of de topmaatschappij in het buitenland is gevestigd. Verliezen op schuldvorderingen op deze maatschappijen kunnen niet ten laste van de winst van de fiscale eenheid gebracht worden, indien deze verliezen verband houden met verliezen die door een andere vennootschap van de fiscale eenheid zijn geleden.

Wetswijziging

De reikwijdte van dit artikel is uitgebreid en is nu van toepassing op alle schuldvorderingen op – binnen of buiten Nederland gevestigde – maatschappijen die tot hetzelfde concern behoren als de moedermaatschappij van de fiscale eenheid. Door de aanpassing kunnen verliezen op deze schuldvorderingen niet (meer) in aftrek worden gebracht voor zover deze verband houden met verliezen die bij een andere maatschappij binnen die fiscale eenheid worden of zijn geleden.

Voorbeeld uit de artikelsgewijze toelichting

Een in Nederland gevestigde moedermaatschappij, M BV, en een in Nederland gevestigde dochtermaatschappij, X BV, vormen samen een fiscale eenheid. M BV verstrekt een lening aan een andere dochtermaatschappij, Y BV, die niet in genoemde fiscale eenheid gevoegd is en de betreffende geldmiddelen weer uitleent aan X BV. Verondersteld wordt dat X BV verlieslatend is. De verliezen van X BV worden binnen de fiscale eenheid verrekend met de winsten van M BV. Als gevolg van de omstandigheid dat X BV verlieslatend is, kan Y BV haar vordering op X BV in waarde zien verminderen. Dit kan dan eveneens consequenties hebben voor de vermogenspositie van Y BV. Dit zou weer tot gevolg kunnen hebben dat de vordering van M BV op Y BV eveneens in waarde vermindert. Als M BV de vordering op Y BV afwaardeert, komt aldus het verlies van X BV in feite tweemaal ten laste van de winst van de fiscale eenheid.

Om dubbele verliesneming in dergelijke situaties te voorkomen, is artikel 15ac, achtste lid, van de Wet Vpb 1969 uitgebreid. Verliezen op schuldvorderingen (of soortgelijke vermogensbestanddelen) van een tot de fiscale eenheid behorende maatschappij (in casu M BV) op een verbonden lichaam (in casu Y BV) kunnen niet (meer) in aftrek worden gebracht voor zover deze verband houden met verliezen die bij een andere maatschappij (in casu X BV) binnen die fiscale eenheid worden of zijn geleden. De voorgestelde aanpassing bewerkstelligt dat de vordering van M BV op Y BV niet kan worden afgewaardeerd ten laste van de winst van de fiscale eenheid. Hetzelfde verlies kan niet meer dubbel in aanmerking worden genomen.

De staatssecretaris heeft zelf al aangegeven dat de maatregel voor de Belastingdienst complex is om uit te voeren, maar verwacht vooral preventieve werking. Niet alleen de Belastingdienst, maar ook de praktijk zal de nodige moeite met de uitvoering hebben!

 

Lees ook de eerste column in deze serie, over artikel 10a Wet VpB

 

terug