Onrealistische doorlooptijd van beoordeling overeenkomsten wet DBA?

 

De wet Deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA) blijft de gemoederen bezig houden. Onlangs heeft staatssecretaris Wiebes twee documenten naar de Tweede Kamer gestuurd. Op 19 september 2016 verscheen de eerste voortgangsrapportage over de wet DBA (2016-0000142850) en op 23 september volgde een brief met antwoorden op vragen van het Kamerlid Omtzigt (2016-0000154846).

Nalezing van beide geschriften leert ons dat een realistische doorlooptijd van te beoordelen overeenkomsten onhaalbaar is.

Capaciteit

Uit de cijfers van de Belastingdienst valt op te maken dat van 1 juni tot 1 september 2016 ongeveer 1.600 modelovereenkomsten zijn beoordeeld. Uitgaande van een 36-urige werkweek is de gemiddelde doorlooptijd van een beoordeling van een modelovereenkomst ongeveer 3,5 uur. Het aantal FTE dat de Belastingdienst voor de beoordeling daarvan inzet is op dit moment 40 en wordt uitgebreid naar 60. Dat betekent dat de Belastingdienst ongeveer 600 modelovereenkomsten per week kan beoordelen. Dit is onrealistisch, aangezien het aantal te beoordelen overeenkomsten veel hoger zal liggen.

In de VAR-tijd kwamen gemiddeld 11.500 aanvragen voor een VAR-verklaring per week binnen. Het voordeel van die verklaring was dat deze kon worden ingezet voor meerdere opdrachtgevers. De gedachte van de Wet DBA is dat opdrachtgever en opdrachtnemer per opdracht een overeenkomst moeten opstellen. Wanneer zij de fiscale zekerheid willen dat hun contract is aan te merken als een opdrachtovereenkomst, dan kunnen zij die ter beoordeling naar de Belastingdienst sturen.

Begin dit jaar maakte het CBS bekend dat 20% van de zelfstandigen zonder personeel in 2014 (het laatst onderzochte jaar), oftewel 278.000 ondernemers, een VAR-wuo hadden aangevraagd. Indien deze mensen in 2016 allemaal één modelovereenkomst ter beoordeling zouden insturen, dan betekent dit dat de fiscus eigenlijk het beoordelingsteam verder moet uitbreiden naar minimaal 520 FTE. Wanneer een opdrachtnemer meerdere opdrachten in een jaar heeft, zal hij meerdere overeenkomsten voorleggen. De capaciteit moet dus verder omhoog.

Onhaalbaarheid

Uit de cijfers die de staatssecretaris rapporteerde valt niet op te maken hoeveel ‘vormvrije’ overeenkomsten, dat wil zeggen niet-modelovereenkomsten, zijn ingediend. De adviespraktijk geeft er over het algemeen de voorkeur aan om zijn eigen contracten op te stellen, omdat de modelovereenkomsten vaak niet geschreven zijn voor de te verrichten opdracht c.q. relatie. Denk hierbij aan bepalingen inzake de aansprakelijkheid, waarvan het essentieel is dat deze op maat worden geschreven. Men hoeft geen Einstein te zijn om te bedenken dat de Belastingdienst meer tijd nodig heeft voor de beoordeling van deze ‘vormvrije’ overeenkomsten. Voor de praktijk weegt dit meestal niet op tegen een contract op maat.

De staatssecretaris wijt de huidige lange doorlooptijd aan de voorlichting en dienstverlening die bij een afkeuring wordt gegeven. Het lijkt ons dat ook in de toekomst de Belastingdienst een afwijzing moet motiveren, hoewel een afwijzing strikt genomen geen beschikking is en daarmee verplicht is. Door het motiveren kunnen indieners de hun afgekeurde overeenkomsten aanpassen en vervolgens een correcte versie indienen.

Wij zijn ons ervan bewust dat de eerste fase van de implementatie van de wet DBA in het teken staat van bewustwording bij opdrachtgevers en -nemers. Het is zeer de vraag of de Belastingdienst c.q. de staatssecretaris zich bewust gaat worden van de onhaalbaarheid van een realistische doorlooptijd. Ongetwijfeld zal het midden oktober te openen Meldpunt DBA hierover veel vragen krijgen.

terug