Innovatiebox (eindelijk) verder toegelicht!

 

Toepassing van de innovatiebox bleek in de praktijk vaak lastiger dan gedacht. Het werd dan ook wel eens tijd voor een nadere toelichting van de staatssecretaris. Een weergave van de belangrijkste elementen uit het besluit van 1 september 2014, nr. BLKB2014/1054M.

Toerekening
De faciliteit van artikel 12b Wet Vpb geldt in beginsel voor alle Vpb-plichtige ondernemingen, dus ook voor buitenlandse belastingplichtigen met een Nederlandse vaste irichting. Bij gelieerde lichamen in de zin van artikel 8b Wet Vpb moet eerst de arm’s-lengthbeloning voor het lichaam worden bepaald en/of de winst arm’s-length worden toegerekend voordat aan toepassing van de innovatiebox wordt toegekomen. De besluiten over verrekenprijzen (nr. IFZ2013/184M, m.n. onderdelen 6.4, 7 en 8) en winstallocatie aan vaste inrichtingen (nr. IFZ2010/457M), en de bijbehorende OESO-regelgeving, spelen daarna ook een rol bij het voor de toepassing van de innovatiebox vaststellen van het ‘voordeel uit hoofde van een octrooi- of S&O-activum’. De verrekenprijsmethoden worden wel toegesneden op de innovatiebox.

Toerekeningsmethoden
Voor elk activum kan een andere methode worden gehanteerd (meerdere methoden naast elkaar zijn dus mogelijk), waarbij de aard en het belang van octrooi- en S&O-activa in de bedrijfsprocessen beslissend zijn. De volgende methoden (kunnen) worden gehanteerd:

  • inpiduele bepaling van voortbrengingskosten en voordelen (per-activummethode);
  • uitsplitsing van functies binnen een onderneming in enerzijds ondersteunende en routinematige functies en anderzijds kernfuncties, waarbij maximaal de restwinst die aan de kernfunctie R&D én kwalificerende immateriële activa kan worden toegerekend voor de toepassing van de innovatiebox in aanmerking komt (afpelmethode);
  • als de R&D-functie en de octrooi- en S&O-activa meer bijkomstig of ondersteunend van aard zijn, wordt uitgegaan van de kosten met een zakelijke opslag (kostengerelateerde methode);
  • een forfaitaire bepaling van de positieve innovatiewinst op 25% van de fiscale winst. De positieve innovatiewinst wordt gemaximeerd op € 25.000 en er gelden bepaalde voorwaarden.

Voortbrengingseis
Het immaterieel activum voor eigen rekening en risico zijn ontwikkeld waarbij essentieel is dat het lichaam de onderzoeks- en ontwikkelingswerkzaamheden (voldoende) kan aansturen. Uitbesteding van werkzaamheden hoeft geen probleem te zijn maar een grotere mate van uitbesteding betekent ook een zwaardere bewijslast voor de feitelijke aansturing door het lichaam. Voor S&O-activa is in beginsel voldoende dat minder dan 50% van de voortbrengingswerkzaamheden zijn uitbesteed, bij een hoger percentage moet worden gekeken naar de soort werkzaamheden en de rol die het lichaam vervult bij aansturing.
Er kan ook sprake zijn van een zelf voortgebracht immaterieel activum als een verkregen immaterieel activum wordt doorontwikkeld.

Verschil S&O-activa en octrooi-activa
Voor octrooi-activa moeten de met het immateriële activum te verwachten voordelen in belangrijke mate (30% of meer) hun oorzaak vinden in een zelf ontwikkeld octrooi (zogenoemde oorzaaktoets), voor S&O-activa is beslissend dat er een direct causaal verband bestaat met de S&O-werkzaamheden.
Voor octrooi-activa en S&O-activa is toepassing van de innovatiebox beperkt tot het lichaam waaraan het octrooi is verleend respectievelijk een S&O-verklaring is afgegeven. Aangezien een octrooi kan worden aangevraagd en verleend aan een concernonderdeel terwijl het activum feitelijk voor rekening en risico van een ander onderdeel is ontwikkeld, is het voor octrooi-activa mogelijk dat er activiteiten zijn ontwikkeld maar toch geen toepassing van de innovatiebox kan worden geclaimd. Voor S&O-activa ontstaat een dergelijk probleem niet omdat immers wordt aangesloten bij een S&O-verklaring.

Keuze toepassing innovatiebox
De keuze voor toepassing van de innovatiebox kan per kwalificerend activum worden gemaakt waarna de verschillende activa binnen één innovatiebox komen (waarin verschillende waarderingsmethoden mogelijk zijn, zieToerekeningsmethoden). Omdat aan alle voorwaarden moet zijn voldaan kan voor nog in ontwikkeling zijnde activa nog niet worden gekozen voor de innovatiebox. Een kwalificerend activum kan ook alsnog in de innovatiebox worden ingebracht, de voordelen uit eerdere jaren worden dan volledig in de heffingsgrondslag van het keuzejaar betrokken.
Voor de bovengenoemde oorzaaktoets (zie Verschil S&O-activa en octrooi-activa) wordt aangesloten bij de uit het octrooi te verwachten voordelen op het moment dat voor toepassing van de innovatiebox wordt gekozen, beoordeeld naar de toestand aan het einde van het keuzejaar. In het keuzejaar worden ook de zogenoemde pre-octrooibaten verrekend. De voordelen behaald vanaf het aanvraagjaar tot het jaar waarin het octrooi wordt verleend komen in mindering op de drempel voor de innovatiebox (voortbrengingskosten van octrooi- en S&O-activa plus eventuele innovatieverliezen), maar deze pre-octrooibaten kunnen de drempel niet verder dan tot nihil terugbrengen.

Bindend advies
Uit het besluit volgt dat een inspecteur niet in alle gevallen meteen een standpunt mag innemen. Zodra een standpuntbepaling precedentwerking kan hebben, moet dit aan de Coördinatiegroep Taxhavens en Concernfinanciering (CTC) worden voorgelegd (besluit van 14 oktober 2010, nr. DGB2010/6307M). De CTC verstrekt aan medewerkers van de Belastingdienst bindende adviezen over (onder meer) toepassing van de innovatiebox.

terug