Geen beroep op vertrouwensbeginsel bij btw-fraude

 

De Hoge Raad heeft op 28 oktober 2016 geoordeeld dat als vaststaat dat een afnemer wist of had moeten weten van btw-fraude door de dienstverleners, hij voor de aftrek van ten onrechte in rekening gebrachte btw geen beroep kan doen op het unierechtelijke of nationale vertrouwensbeginsel.

Feiten

In deze zaak (nr. 15/02940, ECLI:NL:HR:2016:2430) gaat het om een bv die zich in 2010 bezighoudt met schoonmaak- en opruimwerkzaamheden in gebouwen en op bouwplaatsen. Voor deze werkzaamheden heeft de bv gebruikgemaakt van de diensten van een uitzendbureau en van onderaannemers (hierna: de dienstverleners). Op de facturen die de bv aan haar opdrachtgevers uitreikte vermeldde zij geen btw, maar heeft zij de btw-verleggingsregeling toegepast. De bv heeft deze btw teruggevraagd. De dienstverleners hebben de op de aan de bv uitgereikte facturen vermelde btw niet op aangifte voldaan. Naar aanleiding van de btw-aangifte over het tweede kwartaal van 2010 heeft de inspecteur bij de bv informatie opgevraagd. De bv heeft in reactie daarop diverse documenten overgelegd. De inspecteur heeft vervolgens teruggaaf verleend voor de teruggevraagde btw-bedragen in het tweede tot en met vierde kwartaal van 2010.

In 2011 heeft de inspecteur een onderzoek ingesteld in het kader waarvan onder meer de juistheid van de verleende teruggaven is onderzocht. Op grond van de uitkomst van dat onderzoek heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat de dienstverleners de verleggingsregeling hadden moeten toepassen en om die reden ten onrechte btw aan belanghebbende in rekening hebben gebracht, zodat de bv geen recht op aftrek heeft van die btw. De inspecteur heeft vervolgens een naheffingsaanslag en boete opgelegd. In geschil is of die naheffingsaanslag en boete terecht zijn opgelegd.

Rechtbank en Hof

Rechtbank Den Haag en Hof Den Haag hebben geoordeeld dat op grond van het vertrouwensbeginsel geen naheffingsaanslag en boete kan worden opgelegd omdat de inspecteur na het verkrijgen van de informatie van de bv de btw-teruggaven over het tweede tot en met het derde kwartaal van 2010 heeft verleend. Tegen dit oordeel van het hof heeft de staatssecretaris cassatieberoep ingesteld.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt dat wanneer aan de hand van objectieve gegevens vaststaat dat een btw-ondernemer wist of had moeten weten dat hij met de handeling waarvoor hij aanspraak maakt op het recht op btw-aftrek of –teruggaaf deelnam aan btw-fraude in het kader van een keten van leveringen en/of diensten, het recht op aftrek moet worden geweigerd. De Hoge Raad verwijst voor dit oordeel naar het arrest van het Hof van Justitie in de gevoegde zaken Italmoda, Turbu.com B.V. en Turbu.com. Ook komt een btw-ondernemer geen beroep toe op het unierechtelijke of nationale vertrouwensbeginsel indien vaststaat dat hij wist of had moeten weten van de btw-fraude. Dat de betreffende btw-ondernemer zelf geen voordeel heeft gehad van de btw-fraude is irrelevant. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep daarom gegrond en verwijst de zaak naar Hof Amsterdam.

Commentaar

Het oordeel van de Hoge Raad is naar mijn mening in overeenstemming met de door de Hoge Raad genoemde jurisprudentie van het HvJ. Voor de praktijk is dit arrest een belangrijk signaal dat een btw-ondernemer niet zomaar facturen moet accepteren indien hij twijfelt of zou moeten twijfelen aan de juistheid van de in rekening gebrachte btw. Dat geldt te meer indien een btw-ondernemer opereert in een fraudegevoelige sector, zoals de bouw. Hier ligt overigens ook een taak voor boekhouders, accountants en belastingadviseurs om cliënten op dit risico te wijzen.

terug