De economische verwevenheid en de fiscale eenheid btw

 

Onlangs heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een uitspraak gedaan ten aanzien van de voorwaarde van economische verwevenheid in de fiscale eenheid btw (uitspraak van 27 februari 2018, zaaknummer 17/00277). Hoe zat dit ook alweer?

De fiscale eenheid btw

Een fiscale eenheid btw bestaat indien vennootschappen in organisatorisch, financieel en economisch opzicht met elkaar zijn verweven. De organisatorische en financiële verwevenheid laat ik voor dit artikel buiten beschouwing, omdat deze niet in het geding waren.

Wat is de economische verwevenheid? Er is sprake van een economische verwevenheid indien de betreffende vennootschappen in hoofdzaak (voor de toepassing in de fiscale eenheid btw betekent dit meer dan 50%) prestaties aan elkaar verrichten of als de vennootschappen dezelfde klantenkring bedienen.

Niet verwaarloosbare economische betrekkingen

Het criterium van het in hoofdzaak prestaties  aan elkaar verrichten lijkt met de uitspraak van de Hoge Raad uit 2013 (HR 11 oktober 2013, zaaknummer 11/05105) te zijn uitgebreid: van een economische verwevenheid is ook sprake als er onderlinge niet-verwaarloosbare economische betrekkingen zijn.

Het gaat hierbij om de situatie waarin een houdstermaatschappij alle aandelen bezit van een of meerdere werkmaatschappijen en elk van de werkmaatschappijen tegen vergoeding bestuurt, en voorts tussen de werkmaatschappijen onderling niet verwaarloosbare economische betrekkingen bestaan. In casu verrichte de betreffende werkmaatschappij 27,2% van haar activiteiten aan de fiscale eenheid btw. Dit is naar het oordeel van de Hoge Raad onder de genoemde omstandigheden een niet verwaarloosbare economische betrekking.

In welke gevallen toepasbaar?

Het Hof beargumenteert waarom het begrip niet verwaarloosbare economische betrekkingen niet geldt voor het geval er sprake is van een houdstermaatschappij en een werkmaatschappij. Het belangrijkste argument is dat deze verruiming slechts horizontaal (‘opzij’) geldt, en niet verticaal.

Volgens het Hof kan de eis van het in hoofdzaak aan elkaar prestaties verrichten, namelijk niet horizontaal werken, omdat dit de werking van de buitenwettelijke fiscale eenheid beperkt. Het Hof noemt hierbij de Holdingresolutie waarmee een houdster die geen ondernemer is in de zin van de btw, toch in de fiscale eenheid kan worden opgenomen. De eis dat er tussen de werkmaatschappijen in hoofdzaak prestaties aan elkaar moet worden verricht, maakt dat de fiscale eenheid btw in de praktijk niet gevormd kan worden.

Omdat dit niet de bedoeling is, aangezien een van de doelen van de fiscale eenheid btw de administratieve vereenvoudiging betreft, geldt in deze gevallen dat er toch een economische verwevenheid kan zijn, indien er sprake is van niet-verwaarloosbare economische betrekkingen.

Klopt dit wel?

Ik ben het oneens met de argumentatie dat de invulling met ‘niet- verwaarloosbare economische betrekkingen’ slechts voor horizontale situaties toepasbaar zou zijn. Waarom zou dit wel gelden in het geval dat de ‘in hoofdzaak’-vereiste praktisch niet of moeilijker  toepasbaar is en niet in andere gevallen?  Juist met het argument van het Hof dat een van de doelen de administratieve vereenvoudiging betreft, zou deze invulling gebruikt moeten kunnen worden, of het nu buitenwettelijke, wettelijke, verticale of horizontale situaties betreft.

terug