Beperking 30%-regeling staat ook na HvJ-arrest nog steeds ter discussie

 

Het Hof van Justitie van de EU (HvJ) heeft op 24 februari 2015 arrest gewezen in de zaak van een werknemer die door invoering van de 150km-grens niet meer onder de 30%-regeling kon vallen (C.G. Sopora). Volgens het HvJ (C-512/13, ECLI:EU:C:2015:108) is de nieuwe beperking op zich toelaatbaar maar de Hoge Raad moet de regeling nader bekijken.

Prejudiciële vragen
De Hoge Raad (nr. 12/05577, ECLI:NL:HR:2013:474) stelde prejudiciële vragen over de toelaatbaarheid van de per 2012 geldende 150km-grens. Voor het Hof van Justitie van de EU ging de Hoge Raad in op de achtergrond van de 30%-regeling en de wijziging per 1 januari 2012. De 30%-regeling is ingegeven doordat werknemers die afkomstig zijn uit andere lidstaten over het algemeen hogere kosten van levensonderhoud hebben dan werknemers die reeds lange tijd in Nederland wonen. Om discussies over de hoogte van deze kosten te vermijden, kon deze groep van werknemers vooralsnog zonder verder bewijs profiteren van de forfaitaire regeling. Per 2012 is toepassing van de forfaitaire regeling uitgesloten voor werknemers waarvan mag worden verondersteld dat zij lagere, of geen, extraterritoriale kosten hebben, aangezien zij dagelijks op en neer kunnen reizen naar hun werkplek. Het aansluiten bij de afstand tot aan de Nederlandse grens in plaats van de afstand tussen de Nederlandse werkplek en de plek waar de werknemer voorafgaand aan zijn tewerkstelling in Nederland in de lidstaat van herkomst woonde, is ingegeven door mogelijke uitvoeringsproblemen bij de Belastingdienst.

Maatregelen ter voorkoming van uitvoeringsproblemen toelaatbaar
Uit het arrest Terhoeve, C-18/95, ECLI:EU:C:1999:22 (punt 45) volgt dat overwegingen van administratieve aard geen afwijking door een lidstaat van de regels van Unierecht kunnen rechtvaardigen, maar het HvJ geeft ook aan dat lidstaten wel de mogelijkheid moeten hebben om legitieme doelstellingen na te streven met de invoering van algemene regels die gemakkelijk kunnen worden gehandhaafd en gecontroleerd. Het HvJ gaat er jammer genoeg niet op in wanneer genoemde grens overschreden wordt.

Strijdigheid met het vrije verkeer van werknemers
Het vrije verkeer van werknemers verbiedt zowel een bevoordeling van eigen onderdanen als discriminatie tussen niet-ingezeten werknemers doordat de onderdanen van bepaalde lidstaten op ongerechtvaardigde wijze worden bevoordeeld ten opzichte van anderen. De per 2012 ingevoerde beperking leidt in elk geval tot een bevoordeling van werknemers uit bepaalde lidstaten: “31 Voorts staat vast dat derhalve het merendeel van de Belgische werknemers alsook een deel van de Duitse, Franse en Luxemburgse werknemers en van de werknemers uit het Verenigd Koninkrijk is uitgesloten van toepassing van de forfaitaire regeling.”.

Hoge Raad moet uitwerking van de 30%-regeling nader beoordelen
Het Hof van Justitie van de EU acht op zich de invoering van beperkingen toelaatbaar omdat er een legitiem doel wordt nagestreefd en een zekere grofheid onvermijdbaar is. Dit neemt echter niet weg dat de per 2012 geldende 150km-grens tot gevolg kan hebben dat veel werknemers waarvoor de 30%-regeling geldt/blijft gelden bevoordeeld worden ten opzichte van werknemers die (slechts) gebruik kunnen maken van een vergoeding van de werkelijke extraterritoriale kosten. De Hoge Raad moet daarom vaststellen of hiervan sprake is, en als dit het geval is kunnen de beperkingen alsnog ontoelaatbaar zijn.
Het Hof van Justitie wijst er op dat de forfaitaire 30%-regeling nooit in het nadeel werkt van uit het buitenland aangetrokken werknemers. Toepassing van de regeling is niet verplicht (ook) als aan de voorwaarden wordt voldaan zodat deze werknemers alsnog een belastingvrijstelling van de vergoeding wegens extraterritoriale kosten kunnen krijgen – mits zij passende bewijsstukken overleggen – als de werkelijk gemaakte extraterritoriale kosten het forfait van 30% overschrijden. Daarbij komt dat er bij het claimen van een vrijstelling voor werkelijk gemaakte extraterritoriale kosten geen overcompensatie mogelijk is in tegenstelling tot situaties waarin de 30%-regeling wordt toegepast. Onder de 30%-regeling is immers ook een belastingvrije vergoeding mogelijk als het daadwerkelijke bedrag van de extraterritoriale kosten nihil is voor de betreffende werknemer.
Het is nu aan de Hoge Raad om vast te stellen of het grootste deel van de werknemers die onder de nieuwe 30%-regeling vallen worden bevoordeeld.

Geen kostenvergoeding voor andere belanghebbenden
Er zijn in deze procedure natuurlijk meer belanghebbenden dan alleen Sopora en de Nederlandse Belastingdienst en er zijn dan ook opmerkingen ingediend door andere werkgevers/werknemers. Het HvJ geeft aan dat het aan de Hoge Raad is om te beslissen over een kostenvergoeding maar wijst er wél op dat de door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

terug